Artikel 1 Definities

Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

– aanspraakgerechtigde: persoon die begunstigde is voor een nog niet ingegaan pensioen;

– accountant: een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;

– afkoop: iedere handeling waardoor pensioenaanspraken en pensioenrechten hun pensioenbestemming verliezen, behoudens in geval van toepassing van de artikelen 55, vijfde zesde lid, 134 of 220b, tweede lid, of van artikel 3A:85 van de Wet op het financieel toezicht;

– algemeen pensioenfonds: een pensioenfonds dat een of meerdere pensioenregelingen of beroepspensioenregelingen als bedoeld in artikel 1 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling uitvoert en daarvoor een afgescheiden vermogen aanhoudt per collectiviteitkring;

– arbeidsongeschiktheidspensioen: een geldelijke, vastgestelde uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van de werknemer of gewezen werknemer, waarop recht bestaat na afloop van de periode bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Ziektewet of, indien de werknemer of gewezen werknemer Ziektewetuitkering ontvangt, na afloop van de periode bedoeld in artikel 29, vijfde en tiende lid, van de Ziektewet;

– basispensioenregeling: de collectieve pensioenregeling of het deel van de pensioenregeling waaraan de werknemer op basis van de pensioenovereenkomst gehouden is om deel te nemen;

– bedrijfstakpensioenfonds: een pensioenfonds ten behoeve van een of meer bedrijfstakken of delen van een bedrijfstak;

– beëindiging van de deelneming: het beëindigen van de pensioenverwerving op basis van een pensioenovereenkomst anders dan door:

a het overlijden van de deelnemer; of

b het ingaan van het ouderdomspensioen;

– beschermingsrendement: de vermogensbijschrijving die ervoor zorgt dat de, uit het opgebouwde pensioenvermogen te financieren, toekomstige pensioenuitkeringen en lopende pensioenuitkeringen nominaal stabiel blijven, dat wordt gefinancierd vanuit het totaal behaalde rendement en looptijdafhankelijk wordt toebedeeld aan de vermogens op basis van marktwaardering, waarbij toedelingsregels worden gehanteerd;

– bevoegde autoriteiten: nationale autoriteiten van andere lidstaten dan Nederland als bedoeld in artikel 6, onderdeel 8, van richtlijn 2016/2341/EU;

– bijdrage: iedere geldsom die wordt voldaan aan een pensioenuitvoerder in het kader van de uitvoering van pensioenovereenkomsten en uitvoeringsovereenkomsten;

– bijdragende onderneming: een onderneming of ander lichaam, ongeacht of deze een of meer natuurlijke personen of rechtspersonen die optreden als werkgever of zelfstandige, dan wel een combinatie daarvan, omvat of hieruit bestaat, en die een pensioenregeling aanbiedt of aan een pensioenfonds, premiepensioeninstelling of pensioeninstelling uit een andere lidstaat bijdragen betaalt;

– bijzonder partnerpensioen: de aanspraak op partnerpensioen die op grond van artikel 57, eerste, tweede of derde lid, verkregen wordt door de gewezen partner;

– buitenlandse instelling: een instelling met zetel buiten Nederland, niet zijnde een pensioeninstelling uit een andere lidstaat, een verzekeraar met een zetel buiten Nederland, een van de Europese Gemeenschappen of een instelling als bedoeld in artikel 70, tweede lid;

– collectief toedelingsmechanisme: wijze waarop financiële mee- en tegenvallers collectief worden verwerkt in variabele uitkeringen  van verbeterde premieovereenkomsten en premie-kapitaalovereenkomsten;

– collectiviteitkring: een of meerdere pensioenregelingen of beroepspensioenregelingen als bedoeld in artikel 1 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling waarvoor een algemeen pensioenfonds een afgescheiden vermogen aanhoudt;.

– deelnemer: de werknemer of gewezen werknemer die op grond van een pensioenovereenkomst pensioenaanspraken verwerft jegens een pensioenuitvoerder;

– dekkingsgraad: de verhouding tussen het vermogen inzake de bij een pensioenfonds ondergebrachte pensioenregeling of pensioenregelingen en de technische voorzieningen van een pensioenfonds;

– dienstbetrekking: de rechtsbetrekking tussen werkgever en werknemer;

– directeur-grootaandeelhouder:

a persoonlijk houder van aandelen welke ten minste een tiende deel van het geplaatste kapitaal van de vennootschap van de werkgever vertegenwoordigen en waaraan stemrecht in de algemene vergadering is verbonden;

b indirect persoonlijk houder van aandelen welke ten minste een tiende deel van het geplaatste kapitaal van de vennootschap van de werkgever vertegenwoordigen en waaraan stemrecht in de algemene vergadering is verbonden; of

c houder van certificaten van aandelen, uitgegeven door tussenkomst van een administratiekantoor waarvan hij voor ten minste een tiende deel in het bestuur vertegenwoordigd is, welke ten minste een tiende deel van het geplaatste kapitaal van de vennootschap vertegenwoordigen en aan welke aandelen stemrecht in de algemene vergadering is verbonden;

– elektronisch: door middel van een elektronische informatiedrager die de ontvanger in staat stelt de verstrekte informatie duurzaam te bewaren;

– gedetacheerde werknemer: een werknemer die in een andere lidstaat wordt gedetacheerd om daar te werken en die krachtens titel II van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de gemeenschap verplaatsen (PbEG L 149), onderworpen blijft aan de wetgeving van de lidstaat van oorsprong;

– gepensioneerde: pensioengerechtigde voor wie het ouderdomspensioen is ingegaan;

– gewezen deelnemer: de werknemer of gewezen werknemer door wie op grond van een pensioenovereenkomst geen pensioen meer wordt verworven en die bij beëindiging van de deelneming een pensioenaanspraak heeft behouden jegens een pensioenuitvoerder;

– groep: een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;

– kapitaalovereenkomst: een pensioenovereenkomst inzake een vastgesteld kapitaal dat uiterlijk op de pensioendatum wordt omgezet in een vastgestelde of variabele pensioenuitkering;

– lidstaat: een lidstaat van de Europese Unie alsmede een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij de Overeenkomst betreffende Europese Economische Ruimte;

– nabestaandenpensioen: partnerpensioen of wezenpensioen;

– nettopensioen: ouderdomspensioen of nabestaandenpensioen in de vorm van een nettopensioen als bedoeld in afdeling 5.3B van de Wet inkomstenbelasting 2001;

– nieuwe premieovereenkomst: premieovereenkomst waarbij de premie collectief wordt belegd, de resultaten naar geboortecohorten worden toebedeeld en waarbij het voor pensioenuitkering bestemd vermogen vanaf de pensioendatum wordt aangewend voor financiering van een variabele uitkering;

– ondernemingspensioenfonds: een pensioenfonds verbonden aan een onderneming of een groep;

– ondernemingsraad: de ondernemingsraad, bedoeld in de Wet op de ondernemingsraden;

– ontvangende pensioenuitvoerder: de pensioenuitvoerder aan wie in het kader van waardeoverdracht waarde wordt overgedragen;

– Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

– ouderdomspensioen: een geldelijke uitkering, die vastgesteld of variabel is, voor de werknemer of de gewezen werknemer bij wijze van inkomensvoorziening bij ouderdom;

– overdrachtswaarde: de ten behoeve van de waardeoverdracht vastgestelde waarde van de over te dragen pensioenaanspraken of pensioenrechten;

– overdragende pensioenuitvoerder: de pensioenuitvoerder die in het kader van waardeoverdracht waarde overdraagt aan een andere pensioenuitvoerder;

– overrendement: het saldo van het totaal behaalde rendement op de beleggingen, de ontwikkeling van de levensverwachting en het sterfteresultaat en het toebedeelde beschermingsrendement op basis van de toedelingsregels;

– partner:

a echtgenoot;

b geregistreerd partner; of

c de meerderjarige persoon die met de werknemer of de gewezen werknemer een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad, een bloedverwant in de tweede graad in de rechte lijn, een meerderjarig stiefkind of meerderjarig voormalig pleegkind echtgenoot, geregistreerde partner of partner in de zin van de pensioenovereenkomst;

– partnerpensioen: een geldelijke uitkering, die vastgesteld of variabel is, voor de partner of gewezen partner wegens het overlijden van de werknemer of gewezen werknemer echtgenoot, de geregistreerde partner of de partner, de gewezen echtgenoot, de gewezen geregistreerde partner of gewezen partner wegens het overlijden van de werknemer of gewezen werknemer;

– partnerrelatie: huwelijk, geregistreerd partnerschap of gezamenlijke huishoudingpartnerrelatie in de zin van de pensioenovereenkomst;

– pensioen: ouderdomspensioen, arbeidsongeschiktheidspensioen of nabestaandenpensioen, zoals tussen werkgever en werknemer overeengekomen;

– pensioenaanspraak: het recht op een nog niet ingegaan pensioen, uitgezonderd overeengekomen voorwaardelijke toeslagverlening;

– pensioenbewaarder: de pensioenbewaarder, bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht;

– pensioeneenheid: eenheid van deelname in een beleggingsportefeuille, waarbij de waarde fluctueert met de koersontwikkeling van deze portefeuille en eventueel met de ontwikkeling van de levensverwachting;

– pensioenfonds: een stichting die niet een premiepensioeninstelling is, waarin ten behoeve van ten minste twee deelnemers, gewezen deelnemers of hun nabestaanden gelden worden of werden bijeengebracht en worden beheerd ter uitvoering van ten minste een basispensioenregeling;

– pensioengerechtigde: persoon voor wie op grond van een pensioenovereenkomst het pensioen is ingegaan;

– pensioeninstelling uit een andere lidstaat: een op basis van kapitaaldekking gefinancierde instelling, ongeacht de rechtsvorm, die zetel heeft in een andere lidstaat dan Nederland en die onafhankelijk van enige bijdragende onderneming of bedrijfstak is opgericht met als doel het verstrekken van arbeidsgerelateerde pensioenuitkeringen op basis van een als volgt gesloten overeenkomst:

a individueel of collectief tussen een of meerdere werkgevers en een of meerdere werknemers of hun respectievelijke vertegenwoordigers; of

b individueel of collectief met zelfstandigen,

en die hiermee rechtstreeks verband houdende werkzaamheden verricht;

– pensioenovereenkomst: hetgeen tussen een werkgever en een werknemer is overeengekomen betreffende pensioen;

– pensioenrecht: het recht op een ingegaan pensioen, uitgezonderd overeengekomen voorwaardelijke toeslagverlening;

– pensioenregeling:

a een pensioenregeling op grond van een pensioenovereenkomst; of

b indien de bijdragende onderneming zetel heeft in een andere lidstaat dan Nederland, een overeenkomst, een trustakte of voorschriften waarin is bepaald welke pensioenuitkeringen worden toegezegd en onder welke voorwaarden;

– pensioenreglement: de door de pensioenuitvoerder opgestelde regeling met betrekking tot de verhouding tussen pensioenuitvoerder en deelnemer, gewezen deelnemer, andere aanspraakgerechtigde of pensioengerechtigde;

– pensioenuitvoerder: een ondernemingspensioenfonds, een bedrijfstakpensioenfonds, een algemeen pensioenfonds, of een premiepensioeninstelling of verzekeraar die zetel heeft in Nederland;

– pensioenverplichtingen: verplichtingen van de pensioenuitvoerder uit hoofde van pensioenaanspraken en pensioenrechten;

– premie: de in geld uitgedrukte periodiek vastgestelde structurele prestatie die verschuldigd is aan de pensioenuitvoerder en die bestemd is voor de verzekering van pensioen en de daaraan verbonden kosten;

– premie-kapitaalovereenkomst: premieovereenkomst waarbij de premie direct wordt aangewend voor de aankoop van een kapitaal dat beschikbaar komt op de pensioendatum voor financiering van een variabele uitkering of voor de aankoop van een vastgestelde uitkering;

– premieovereenkomst: een pensioenovereenkomst inzake een vastgestelde premie die uiterlijk op de pensioendatum wordt omgezet in een vastgestelde of variabele pensioenuitkering;

– premiepensioeninstelling: een premiepensioeninstelling die op grond van de Wet op het financieel toezicht in Nederland het bedrijf van premiepensioeninstelling mag uitoefenen;

– premie-uitkeringsovereenkomst: premieovereenkomst waarbij de premie direct wordt aangewend voor een vastgestelde uitkering vanaf de pensioendatum;

– projectierendement: het ingerekende toekomstig rendement voor de vaststelling van variabele uitkeringen;

– richtlijn 2016/2341/EU: richtlijn 2016/2341/EU van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016 betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (IBPV’s) (PbEU L 2016, 354);

– risicohouding: de mate waarin een groep deelnemers, gewezen deelnemers of pensioengerechtigden bereid is beleggingsrisico’s te lopen met oog op hun doelstellingen en de mate waarin deze groep beleggingsrisico’s kan dragen gegeven de kenmerken van deze groep;

– risicovrije rente: de door De Nederlandsche Bank N.V. gepubliceerde actuele rentetermijnstructuur;

– scheiding: echtscheiding, ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed, beëindiging van een geregistreerd partnerschap anders dan door dood, vermissing of omzetting van een geregistreerd partnerschap in een huwelijk of beëindiging van een gezamenlijke huishoudingpartnerrelatie in de zin van de pensioenovereenkomst;

– schriftelijk: in schrifttekens op papier;

– solidariteitsreserve: een collectieve vermogensreserve waarmee financiële mee- of tegenvallers met toekomstige opbouw kunnen worden gedeeld;

– toedelingskring: groep personen waarop een collectief toedelingsmechanisme wordt toegepast;

– toedelingsregels: de wijze waarop bij de nieuwe premieovereenkomst financiële mee- of tegenvallers als gevolg van het collectief gevoerde beleggingsbeleid, de ontwikkeling van de levensverwachting en het sterfteresultaat via beschermingsrendementen en overrendementen gericht naar leeftijdscohorten of in de solidariteitsreserve worden verwerkt;

– toeslag: een verhoging van:

a een pensioenrecht in de vorm van een vastgestelde uitkering; of

b een pensioenaanspraak in de vorm van een aanspraak op een vastgestelde uitkering, mits die verhoging niet voortvloeit uit rentedeling, winstdeling of beleggingsrendement of verband houdt met een verhoging van de pensioengrondslag, de toename van het in aanmerking te nemen aantal jaren of een wijziging van de pensioenovereenkomst van een gewezen deelnemer, mits die verhoging bij een kapitaalovereenkomst niet voortvloeit uit rente- of winstdeling of bij een premieovereenkomst niet voorvloeit uit behaald beleggingsrendement;

c een pensioenaanspraak van een deelnemer op grond van een uitkeringsovereenkomst gebaseerd op het middelloonstelsel of gebaseerd op een vastebedragenregeling, mits de verhoging geen verband houdt met een verhoging van de pensioengrondslag, de toename van het in aanmerking te nemen aantal jaren of een wijziging van de pensioenovereenkomst; of

d een pensioenaanspraak van een gepensioneerde ten behoeve van zijn partner;

– toezichthouder: de Stichting Autoriteit Financiële Markten of De Nederlandsche Bank N.V., ieder voor zover belast met de uitoefening van het toezicht bij of krachtens artikel 151;

– uitkeringsovereenkomst: een pensioenovereenkomst inzake een vastgestelde pensioenuitkering;

– uitvoeringsovereenkomst: de overeenkomst tussen een werkgever en een pensioenuitvoerder over de uitvoering van een of meer pensioenovereenkomsten;

– uitvoeringsreglement:

a de door een bedrijftakpensioenfonds opgestelde regeling met betrekking tot de verhouding tussen pensioenuitvoerder en werkgever;

b de door een pensioenuitvoerder opgestelde regeling inzake de uitvoering van de pensioenovereenkomsten met zijn werknemers;

c de door een algemeen pensioenfonds opgestelde regeling inzake de uitvoering van een beëindigde pensioenregeling of beroepspensioenregeling als bedoeld in artikel 23a of artikel 4a, derde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling;

– verbeterde premieovereenkomst: premieovereenkomst waarbij de premie direct individueel wordt belegd en waarbij het kapitaal voortvloeiend uit de premie vanaf de pensioendatum wordt aangewend voor financiering van een variabele uitkering of voor de aankoop van een vastgestelde uitkering;

– verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds: een bedrijfstakpensioenfonds waarin de deelneming verplicht is gesteld als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000, artikel 21, eerste lid, van de Wet privatisering ABP en artikel 113a, eerste lid, van de Wet op het notarisambt;

– verzekeraar: een verzekeraar die op grond van de Wet op het financieel toezicht in Nederland het bedrijf van levensverzekeraar of schadeverzekeraar mag uitoefenen;

– voorwaarden in verband met de partnerrelatie: huwelijkse voorwaarden, voorwaarden van een geregistreerd partnerschap of voorwaarden in verband met een gezamenlijke huishouding partnerrelatie in de zin van de pensioenovereenkomst;

– vrijwillige pensioenregeling: het deel van de pensioenregeling waaraan de werknemer op basis van de pensioenovereenkomst de mogelijkheid heeft om deel te nemen;

– waardeoverdracht: iedere handeling waarbij de waarde van opgebouwde pensioenaanspraken of pensioenrechten wordt aangewend ten behoeve van:

1° andere pensioenaanspraken of pensioenrechten bij dezelfde of een andere pensioenuitvoerder; of

2° dezelfde pensioenaanspraken of pensioenrechten bij een andere pensioenuitvoerder;

– werkgever: degene die een werknemer krachtens arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht of publiekrechtelijke aanstelling arbeid laat verrichten;

– werkgeverspremie: het deel van de premie dat voor rekening komt van de werkgever;

– werknemer: degene die krachtens arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht of publiekrechtelijke aanstelling arbeid verricht voor een werkgever, met uitzondering van de directeur-grootaandeelhouder en de werknemer die onder de werkingsfeer van een verplichtgestelde beroepspensioenregeling als bedoeld in de Wet verplichte beroepspensioenregeling valt;

– werknemerspremie: het deel van de premie dat voor rekening komt van de werknemer;

– wezenpensioen: een geldelijke, vastgestelde uitkering voor een kind tot wie de overleden werknemer of gewezen werknemer als ouder in familierechtelijke betrekking stond of voor diens stief- of pleegkind, wegens het overlijden van de werknemer of gewezen werknemer;

– zetel: de plaats waar een rechtspersoon volgens zijn statuten of reglementen is gevestigd of, indien het een pensioenfonds of pensioeninstelling uit een andere lidstaat betreft, de plaats waar deze volgens zijn statuten of reglementen is gevestigd en zijn hoofdbestuur heeft of, indien het een pensioeninstelling uit een andere lidstaat betreft die geen rechtspersoon is of een natuurlijke persoon betreft, de plaats waar die pensioeninstelling of persoon zijn hoofdbestuur heeft.

Consultatiedocument, p. 16-17:

Kort gezegd zijn in het nieuwe pensioenstelsel de volgende vier typen premieregelingen mogelijk.

1. Het nieuwe contract
Aan de bestaande premieovereenkomsten wordt een nieuw type premieovereenkomst toegevoegd. Deze premieregeling kenmerkt zich onder meer door één collectief beleggingsbeleid voor in ieder geval de overrendementen voor actieve, gewezen en toekomstige deelnemers en pensioengerechtigden, waarbij financiële resultaten op basis van vooraf vastgestelde toedelingsregels worden verdeeld.

Er is sprake van pensioenopbouw in de vorm van voor de uitkering bestemde persoonlijke pensioenvermogens en van uitgebreide risicodeling. Bij deze premieregeling wordt het beleggingsrisico, het micro- en macro-langlevenrisico gedragen door de (gewezen) deelnemers en pensioengerechtigden. Ook toekomstige deelnemers delen mee in deze risico’s via een integrale solidariteitsreserve.

2. De verbeterde premieregeling
Dit betreft de bestaande zuivere premieregeling. Deze wordt onder meer gekenmerkt door een gescheiden opbouw- en uitkeringsfase, waarbij op pensioendatum een opgebouwd individueel pensioenkapitaal wordt omgezet in of gebruikt voor een levenslange pensioenuitkering. Het beleggingsbeleid wordt op basis van life-cycles vormgegeven. Financiële mee- en tegenvallers worden op basis van behaalde rendementen direct verwerkt in de individuele pensioenvermogens. Afhankelijk van de vormgeving kunnen deelnemers al dan niet keuzevrijheid hebben voor beleggingsprofielen. De deelnemer kan daarnaast op de pensioendatum kiezen tussen een vaste pensioenuitkering of een variabele pensioenuitkering. Bij de variabele uitkering wordt het pensioenkapitaal in de uitkeringsfase in een bepaalde mate risicodragend doorbelegd.

In de verbeterde premieregeling wordt het beleggingsrisico en het micro- en macro-langlevenrisico gedragen door de (gewezen) deelnemers en pensioengerechtigden. Deze risico’s kunnen in de uitkeringsfase collectief worden gedeeld via een collectieve toedelingskring. Met dit wetsvoorstel wordt aanvullende risicodeling via solidariteitselementen mogelijk voor verplichtgestelde bedrijfstak- en beroepspensioenfondsen.

3. De bestaande premie-kapitaalovereenkomst
Dit is een premieregeling waarbij door de werkgever ingelegde pensioenpremies, middels een kapitaalverzekering, direct worden gebruikt voor de aankoop van een gegarandeerd kapitaal op pensioendatum. Het beschikbare kapitaal wordt op pensioendatum omgezet in een vaste of variabele pensioenuitkering, tegen de dan geldende tarieven. Bij deze premieregeling wordt het beleggingsrisico en micro-langlevenrisico tijdens de opbouwfase overgenomen door de pensioenuitvoerder, maar is het macro-langlevenrisico voor rekening van de deelnemer. Ook draagt de deelnemer renterisico op de pensioendatum. Bij omzetting naar een variabele pensioenuitkering is er ook sprake van rente- en beleggingsrisico tijdens de uitkeringsfase.

4. De bestaande premie-uitkeringsovereenkomst
Dit is een premieregeling waarbij door de werkgever ingelegde pensioenpremies direct worden omgezet in een aanspraak op een vaste levenslange pensioenuitkering vanaf de pensioendatum. De premie wordt direct gebruikt om die aanspraak op een periodieke uitkering in te kopen. Zowel het (micro- en macro)langlevenrisico als het rente- en beleggingsrisico worden door de pensioenuitvoerder overgenomen.

Het eerste en tweede pensioencontract zullen toegankelijk zijn voor alle pensioenuitvoerders. Verzekeraars kunnen de premie-kapitaalovereenkomst en de premie-uitkeringsovereenkomst blijven aanbieden, omdat zij – anders dan pensioenfondsen – hierbij een nominaal kapitaal of pensioen verzekeren. Deze nominale garantie wordt uitsluitend door verzekeraars geboden. Voor pensioenfondsen vervalt daarom deze mogelijkheid.

[…]

Consultatiedocument, p. 26:

1. Beschermingsrendement voor renterisico
Ieder kapitaalgedekt pensioencontract is gevoelig voor de stand en de ontwikkeling van de rente. Uiteindelijk moet een risicovol belegd pensioenvermogen immers altijd omgezet worden in een stabiel pensioeninkomen, dat bij voorkeur meestijgt met de prijs- of loonontwikkeling zonder dat de kans op een daling van dat inkomen te groot wordt. Hierdoor zal het gegeven de risicohouding van oudere leeftijdscohorten niet mogelijk zijn om vanaf de start van deelname aan een pensioenregeling tot aan het overlijden in dezelfde hoge mate risicovolle beleggingen aan te houden. Een pensioeninkomen moet immers niet van maand–op-maand kunnen fluctueren met eventueel tientallen procenten als gevolg van schokken op aandelenmarkten. De randvoorwaarde van geen ex ante herverdeling, in combinatie met de wens te voorzien in een voorspelbaar, stabiel pensioeninkomen, leidt er daarom toe dat risicovrije rendementen in de uitkeringsfase een belangrijke rol vervullen.

[…]

Consultatiedocument, p. 27:

2. Overrendement op beleggingen
Het overrendement op de beleggingen wordt gedefinieerd als het verschil van het feitelijk behaalde collectieve rendement verminderd met de toegekende beschermingsrendementen tegen nominaal renterisico op alle pensioenvermogens, inclusief de solidariteitsreserve. Dit overrendement wordt, volgens ex ante vastgelegde toedelingsregels op basis van de risicohouding per leeftijdscohort, verdeeld over alle voor de uitkering gereserveerde pensioenvermogens alsook de solidariteitsreserve. Omdat jongere deelnemers, vanwege hun grotere toekomstige opbouw, een relatief grotere risicodraagkracht hebben zullen zij relatief een groter deel van het overrendement krijgen toebedeeld. Dit overrendement kan zowel positief als negatief zijn. Meer verwacht rendement gaat onvermijdelijk samen met meer risico. Overigens kan een deel van het overrendement, mits positief, ook kan worden toebedeeld aan de solidariteitsreserve (zie paragraaf 3.3.4).

[…]

Consultatiedocument, p. 32:

3.3.4. De verplichte solidariteitsreserve
De solidariteitsreserve is een verplicht collectief element van het nieuwe contract, waaruit pensioenvermogens en -uitkeringen kunnen worden aangevuld en waarmee risico’s collectief kunnen worden gedeeld. De solidariteitsreserve is geen afgescheiden beleggingspot, maar onderdeel van het totale vermogen (zijnde de optelling van de voor de uitkeringen gereserveerde pensioenvermogens en de solidariteitsreserve) en deelt mee in de collectieve rendementen en risico’s. Daarmee is de solidariteitsreserve een intrinsiek onderdeel van de pensioenregeling.

[…]

Consultatiedocument, p. 124:

Inleiding
Een overlijden van een naaste betekent in de eerste plaats een persoonlijk verlies voor de nabestaanden. Naast persoonlijke emotionele gevolgen gaat het overlijden veelal ook gepaard met financiële gevolgen vanwege het wegvallen van een (kostwinners)inkomen, waardoor schrijnende situaties kunnen ontstaan. De voorgestelde wijzigingen inzake het nabestaandenpensioen, die in de volgende paragrafen nader worden toegelicht, zorgen ervoor dat het nabestaandenpensioen meer wordt gestandaardiseerd, adequater en begrijpelijker wordt en dat de risico’s voor nabestaanden worden verkleind. Met als doel de schijnende situaties zoveel als mogelijk voorkomen te voorkomen.

[…]

Consultatiedocument, p. 124:

Sociale partners kunnen ervoor kiezen een nabestaandenpensioen in de pensioenovereenkomst op te nemen. De wijze waarop nabestaandenpensioen is vormgegeven is vooral de afgelopen 20 jaar aan grote wijziging onderhevig geweest. Nabestaandenpensioenregelingen vertonen een grote verscheidenheid in opbouwpercentages, financieringsvormen en de wijze waarop het partnerbegrip wordt ingevuld. Het nabestaandenpensioen is versnipperd geraakt en daardoor in veel gevallen onoverzichtelijk voor mensen. Daarnaast geldt dat mensen tegenwoordig in toenemende mate gedurende hun werkzame leven meerdere werkgevers en meerdere (opeenvolgende) partners hebben, hetgeen het nabestaandenpensioen verder compliceert. Op verschillende momenten worden deelnemers gewezen op een eventueel nabestaandenpensioen uit de pensioenregeling, bijvoorbeeld bij indiensttreding, op het uniform pensioenoverzicht en soms bij bepaalde life events, met het doel om bewustwording te creëren. De diversiteit in pensioenregelingen, gecombineerd met het relatief lage pensioenbewustzijn van de gemiddelde Nederlander, maakt dat het voor deelnemers lastig is om inzicht te krijgen in de manier waarop het nabestaandenpensioen voor hen is geregeld.

[…]

Consultatiedocument, p. 127-128:

10.2 Uniformering partnerbegrip
Zowel in de Pensioenwet als in de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB 1964) is er een partnerbegrip gedefinieerd. Artikel 1 van de Pensioenwet bepaalt dat als partner voor de pensioenregeling wordt gezien de echtgenoot, geregistreerd partner, of partner in de zin van de pensioenovereenkomst. Dit betekent dat sociale partners zelf bepalen of ze samenwonenden die niet gehuwd zijn en geen geregistreerd partnerschap hebben gesloten in aanmerking willen laten komen voor partnerpensioen én of ze daaraan specifieke voorwaarden willen stellen. De Wet LB 1964 bepaalt dat (gewezen) echtgenoten, (gewezen) geregistreerde partners, dan wel degene met wie de deelnemer duurzaam een gezamenlijke huishouding voert of heeft gevoerd en met wie geen bloed- of aanverwantschap in de eerste graad bestaat, als partner wordt gezien. [voetnoot 172: Artikel 18, eerste lid, onderdeel a, onder 2, Wet LB 1964.]

Het begrip ‘duurzaam’ is niet nader ingevuld in de Wet LB 1964, maar wel een voorwaarde om fiscaal gefaciliteerd een partnerpensioen aan te kunnen bieden. Daarom stellen pensioenuitvoerders in hun pensioenreglementen aanvullende voorwaarden aan ongehuwd samenwonende partners, zoals eisen ten aanzien van de duur van samenwonen op hetzelfde adres (een half jaar, een jaar, vijf jaar) en/of een (notariële) samenlevingsovereenkomst dan wel een verklaring van samenleving. Dit leidt tot diversiteit in de invulling van het partnerbegrip, waardoor het kan gebeuren dat partner A in de pensioenregeling van partner B wel als partner wordt gezien, maar dat omgekeerd partner B niet als partner wordt gezien in de pensioenregeling van A. Dit kan tot onwenselijke situaties leiden en zorgt voor onduidelijkheid bij deelnemers en hun partner. Zowel maatschappelijk [voetnoot 173: https://publicaties.ombudsmanpensioenen.nl/jaarverslag_2018/aanbeveling] als politiek [voetnoot 174: Kamerstukken II, 2019-2020, 32 043, nr. 537 en Kamerstukken II, 2018-2019, 34 996, nr. 5.]  gezien is er meerdere malen gevraagd om een uniformering van de partnerdefinitie. De voorgestelde uniforme partnerdefinitie in dit wetsvoorstel komt aan deze wens tegemoet. Er kunnen geen aanvullende of afwijkende voorwaarden meer gesteld worden. Er is dus geen sprake van minimale voorwaarden, maar van een uniform begrip.

Steeds minder mensen kiezen ervoor om te trouwen [voetnoot 175: https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2018/18/twintigers-en-dertigers-trouwen-minder] , in plaats daarvan kiezen ze voor een geregistreerd partnerschap of wonen ze ongehuwd samen. Een uniform partnerbegrip wordt daardoor maatschappelijk gezien relevanter. In dit wetsvoorstel wordt dan ook voorgesteld om één wettelijke partnerdefinitie te hanteren die geldt voor alle partnerpensioenen. Voor het bepalen wanneer ongehuwden gezien moeten worden als elkaars partner is van belang dat het altijd gaat om personen die samenwonen op hetzelfde adres en een duurzame huishouding met elkaar voeren. De duurzame huishouding kan zich onder andere uiten in het delen van de kosten van boodschappen, de kosten van de gezamenlijke woning en of zij bijvoorbeeld samen een kind hebben. Uiteindelijk gaat het om het totaalbeeld van de gezamenlijke huishouding. Bij een aantal situaties is de aanname dat er sowieso sprake is van het delen van zorg voor elkaar. Hierbij gaat het om partners die gehuwd zijn of een geregistreerd partnerschap hebben. Het gaat hierbij ook om de situatie dat partners een notarieel samenlevingscontract hebben gesloten.

Het is echter niet uitgesloten dat er ook partners zijn die samenwonen en zorg voor elkaar dragen, maar dit niet geformaliseerd hebben door middel van een huwelijk, geregistreerd partnerschap of notarieel samenlevingscontract. Omdat deze situatie erg vergelijkbaar kan zijn met een huwelijk of geregistreerd partnerschap is het passend dat ook deze situatie valt onder de definitie van partner voor het partnerpensioen. Voorkomen moet evenwel worden dat korte perioden van samenwoning zonder dat daarbij sprake is van een huwelijk, geregistreerd partnerschap of notarieel samenlevingscontract direct leiden tot een dekking uit het partnerpensioen. Dit zou het draagvlak onder het partnerpensioen kunnen ondergraven. Daarom wordt voorgesteld dat in gevallen waarin er geen sprake is van een huwelijk, geregistreerd partnerschap of notarieel samenlevingscontract, personen minimaal zes maanden moeten hebben samengewoond op hetzelfde adres en een duurzame huishouding voeren voordat zij aangemerkt worden als partner.

De situatie kan zich voordoen dat een van de partners vanwege medische redenen of ouderdom wordt opgenomen in een verpleeghuis of verzorgingshuis. Partners zijn dan niet meer woonachtig op hetzelfde adres, en voldoen daardoor niet meer aan het criterium voor het voeren van een gezamenlijk huishouding. Bij overlijden van een van de partners zou er in dat geval geen partnerpensioen tot uitkering komen, omdat men niet meer aan het partnerbegrip voldoet. De regering acht dit een onwenselijke situatie, en stelt daarom voor dat personen in deze situatie toch als partner worden gezien.

In het kader van de voorgestelde partnerdefinitie is er geen sprake van partnerschap in de situatie dat er sprake is van samenwoning tussen twee personen die bloedverwant zijn in de eerste of tweede graad in de rechte lijn. Bij bloedverwanten in de eerste graad gaat het om het samenwonen van een ouder met een eigen kind. Bij tweede graads bloedverwanten in de rechte lijn gaat het om grootouders die samenwonen met een kleinkind. Voor deze situaties geldt dat er geen sprake is van een relatie tussen twee gelijkwaardige personen die vergelijkbaar is met een huwelijk of geregistreerd partnerschap. Om die reden worden deze situaties uitgesloten van de partnerdefinitie.

Gevolgen van de wijziging
Alle huidige partnerpensioenregelingen kennen definities wat er onder het begrip partner moet worden verstaan. De voorgestelde partnerdefinitie omvat verreweg de meeste situaties waarbij twee personen aantoonbaar zorg voor elkaar dragen en daarmee in aanmerking moeten kunnen komen voor een partnerpensioen. Daarnaast sluit de voorgestelde partnerdefinitie aan bij de gangbare partnerdefinities die nu al in het algemeen in de pensioensector worden gebruikt. Het aantal wijzigingen zal daardoor naar verwachting beperkt zijn. Indien de partnerdefinitie niet voldoet, zal deze aangepast moeten worden conform de voorgestelde definitie. De pensioenovereenkomst moet worden aangepast, en vervolgens moet de wijziging ook in het pensioenreglement worden verwerkt. De beslissing om al dan niet een partnerpensioen aan te bieden blijft echter een beslissing van sociale partners.

De wijziging van de partnerdefinitie heeft geen consequenties voor reeds ingegane partnerpensioenen, deze worden geëerbiedigd. Door het wettelijk vastleggen van een partnerdefinitie en na vastlegging daarvan in de pensioenregeling, bestaat de mogelijkheid dat bepaalde personen niet langer als partner in de zin van de Pensioenwet worden aangemerkt terwijl ze voor de wijziging wel als partner werden gezien. Ondanks dat het waarschijnlijk om een beperkt aantal situaties zal gaan, immers de partnerdefinitie is vrij omvattend en afgestemd op wat nu gebruikelijk is, acht de regering het onwenselijk dat er toch personen kunnen zijn, die als gevolg van een wetswijziging, bij het overlijden van de (gewezen) deelnemer niet langer aanspraak kunnen maken op een partnerpensioen. Middels overgangsrecht (zie paragraaf 10.4) wil de regering deze situaties voorkomen.

[…]

Consultatiedocument, p. 156-158:

Artikel I, onderdeel A en artikel VII, onderdeel A
In artikel 1 van de Pensioenwet en artikel 1, eerste lid, van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling (Wvb) zijn de begripsbepalingen opgenomen. Er worden aan aantal
wijzigingen voorgesteld.

De definitie van afkoop wordt aangepast aan de vernummering van artikel 55 van de Pensioenwet
en artikel 66 Wvb.

In de definitie van collectief toedelingsmechanisme wordt toegevoegd dat dit
toedelingsmechanisme van toepassing is bij variabele uitkeringen voortvloeiend uit een verbeterde
premieovereenkomst [voetnoot 206: In de artikelsgewijze toelichting worden de wijzigingen in de Pensioenwet toegelicht. Veelal worden deze wijzigingen ook doorgevoerd in de Wvb. Waar in de artikelsgewijze toelichting begrippen uit de Pensioenwet worden gebruikt zoals premieovereenkomst of werknemer worden daaronder ook verstaan de vergelijkbare begrippen zoals premieregeling en beroepsgenoot die worden gebruikt in de Wvb.] en de premie-kapitaalovereenkomst. Bij variabele uitkeringen die voortvloeien uit de nieuwe premieovereenkomst [voetnoot 207: In het algemeen deel van de memorie van toelichting wordt de nieuwe premieovereenkomst aangeduid als het nieuwe contract.] worden de mee- en tegenvallers op een andere
manier verwerkt door toedelingsregels die worden toegepast op zowel de opbouwfase als de
uitkeringsfase.

Voorgesteld wordt verschillende definities te wijzigen in verband. met de uniformering van het
partnerbegrip.

Op dit moment is vastgelegd dat een echtgenoot, geregistreerd partner of een partner in de zin
van de pensioenovereenkomst kwalificeert als ‘partner’ in de z1in van de Pensioenwet, hetgeen
relevant is voor het vaststellen van het recht op partnerpemi’ioen. Deze definitie brengt met zich
dat de partijen die de pensioenovereenkomst overeenkomen zelf kunnen bepalen of en zo ja, in
welke gevallen ongehuwden en mensen zonder geregistreerd partnerschap in aanmerking komen
voor partnerpensioen, Met dit onderdeel wordt be9cigd op dit punt meer eenduidigheid te creëren
door expliciet in de ,wet te verankeren wanneer ongehuwden en mensen zonder geregistreerd
partnerschap toch als partner worden aangemerkt en derhalve in aanmerking komen voor
partnerpensioen.

In lijn met het huidige recht valt zowel de echtgenoot (onderdeel a) als geregistreerd partner
(onderdeel b) van de werknemer of gewezen werknemer onder het partnerbegrip. Daarnaast
wordt voorgesteld vast te leggen dat ook de meerderjarige persoon die met de werknemer of de
gewezen werknemer een gezamenlijke huishouding voert onder het partnerbegrip valt, met
uitzondering van een bloedverwant in de eerste graad, een bloedverwant in de tweede graad in de
rechte lijn, een meerderjarig stiefkind of meerderjarig voormalig pleegkind (onderdeel c). Met de
uitzondering van een bloedverwant in de eerste graad wordt geregeld dat in geval een ouder
samenwoont met zijn of haar (adoptie)kind er geen sprake is van een partnerrelatie. Met de
uitzondering van een bloedverwant in de tweede graad in de rechte lijn wordt geregeld dat in
geval een grootouder samenwoont met zijn of haar kleinkind hier geen sprake is van een
partnerrelatie. Aangezien de uitzondering is beperkt tot een bloedverwant in de tweede graad in
de rechte lijn kunnen een broer en zus die een gezamenlijke huishouding voeren wel worden
aangemerkt als partner in de zin van de Pensioenwet. Voorts zijn ook een meerderjarig stiefkind
en meerderjarig voormalig pleegkind uitgezonderd van het partnerbegrip. Het begrip gezamenlijke huishouding wordt nader uitgewerkt in artikel 2a van de Pensioenwet. Zie ook de artikelsgewijze toelichting bij dit artikel.

In lijn met de aanpassing van het partnerbegrip worden ook de definities van ‘partnerpensioen’, ‘partnerrelatie’, ‘scheiding’ en ‘voorwaarden in verband met de partnerrelatie’ gewijzigd.

In de definitie van pensioenreglement worden de gewezen deelnemer, andere aanspraakgerechtigde en pensioengerechtigde toegevoegd. Het pensioenreglement kan en zal immers ook een regeling inhouden voor de verhouding met deze groepen.

In de definitie van premie vervalt de zinsnede “voor de verzekering” omdat in de nieuwe situatie een variabel pensioen veel vaker zal voorkomen en er in mindere mate sprake zal zijn van verzekering van pensioen. Wat blijft is dat de premie bestemd is voor pensioen.

De definitie van toeslag wordt gewijzigd. In de nieuwe situatie met alleen opbouw in premieovereenkomsten en veelal variabele uitkeringen zal toeslag in de zin van een vooraf overeengekomen verhoging van een pensioenaanspraak of pensioenrecht minder voorkomen.

Van toeslag kan sprake zijn bij een verhoging van een vastgestelde uitkering. Van een vastgestelde uitkering zal sprake zijn bij een premie-uitkeringsovereenkomst en bij een verbeterde premieovereenkomst of een premie-kapitaalovereenkomst indien de pensioengerechtigde voor een vastgestelde uitkering heeft gekozen. Ook zal sprake zijn van een vastgestelde pensioenuitkering indien de opbouw in een uitkeringsovereenkomst niet wordt ingevaren.
Verder kan sprake zijn van toeslagverlening in de opbouwfase bij een verhoging van een pensioenaanspraak in de vorm van een aanspraak op een vastgestelde uitkering vanaf de pensioendatum. Daarvan kan nog sprake zijn bij een premie-uitkeringsovereenkomst en bij pensioenaanspraken opgebouwd in een uitkeringsovereenkomst waarbij niet wordt ingevaren. Bij de pensioenaanspraken gelden dezelfde uitzonderingen als in de huidige situatie: namelijk dat de verhoging niet het gevolg is van rendementen of wijzigingen in de pensioenovereenkomst.

Bij variabele uitkeringen zal geen sprake zijn van toeslag. Als een variabele uitkering wordt verhoogd zal dit het gevolg zijn van financiële meevallers in de beleggingen, de ontwikkeling van de levensverwachting of het sterfteresultaat en dan is geen sprake van toeslag. Ook bij een afgesproken vaste stijging van een variabele uitkering is geen sprake van toeslag omdat daarbij als zodanig geen sprake is van verhoging van de uitkering maar van een andere verdeling van het voor pensioen beschikbare vermogen in de tijd.

Er wordt een aantal definities toegevoegd.

Het beschermingsrendement is een onderdeel van de nieuwe premieovereenkomst. Het is omschreven als de vermogensbijschrijving die ervoor zorgt dat de, uit het opgebouwde pensioenvermogen te financieren, toekomstige pensioenuitkeringen en lopende pensioenuitkeringen nominaal stabiel blijven en dat wordt gefinancierd vanuit het totaal behaalde rendement en looptijdafhankelijk toebedeeld aan de vermogens op basis van marktwaardering, waarbij toedelingsregels worden gehanteerd. Onder nominaal stabiel wordt verstaan stabiel in euro’s, dus zonder rekening te houden met prijsinflatie.

Verder zijn aan de definities de vier vormen van premieovereenkomsten op opbouwbasis (kapitaaldekking) toegevoegd. Hiervan is in ieder geval sprake bij een pensioenovereenkomst die betrekking heeft op ouderdomspensioen. Omdat er ook premieovereenkomsten mogelijk blijven waarbij alleen sprake is van risicobasis, zoals bij nabestaandenpensioen of arbeidsongeschiktheidspensioen, is de (basis) definitie van premieovereenkomst niet gewijzigd.
De verbeterde premieovereenkomst is de huidige premieovereenkomst met een variabele of vastgestelde uitkering vanaf de pensioendatum. In de definitie is nu expliciet geregeld dat de toegezegde premie direct individueel wordt belegd. In de huidige regeling is dit minder duidelijk. De verbeterde premieovereenkomst is verder uitgewerkt in artikel 10b van de Pensioenwet.

De premie-uitkeringsovereenkomst en de premie-kapitaalovereenkomst zijn feitelijk de huidige onzuivere premieovereenkomsten waarbij de premie direct wordt aangewend voor ofwel een vastgestelde uitkering vanaf de pensioendatum of voor een kapitaal dat beschikbaar komt op de pensioendatum voor financiering van een variabele uitkering of voor de aankoop van een vastgestelde uitkering. Bij beide premieovereenkomsten is de premie de toezegging. Met die premie wordt vervolgens direct een aanspraak op uitkering of kapitaal gekocht. Vanaf de omzetting ligt het renterisico en beleggingsrisico (premie-uitkeringsovereenkomst) dan wel het beleggingsrisico (premie-kapitaalovereenkomst) bij de verzekeraar.

De nieuwe premieovereenkomst is gedefinieerd als een premieovereenkomst waarbij de beschikbaar gestelde premie collectief wordt belegd, de resultaten naar geboortecohorten worden toebedeeld en waarbij het voor pensioen bestemd vermogen vanaf de pensioendatum wordt aangewend voor financiering van een variabele uitkering. Onderdeel van de nieuwe premieovereenkomst is de solidariteitsreserve. De verdere uitwerking van de nieuwe premieovereenkomst staat in artikel 10a Pensioenwet en artikel 28a Wvb.

Ook is toegevoegd een definitie van de solidariteitsreserve. De solidariteitsreserve is een verplicht collectief element van de nieuwe premieovereenkomst waaruit pensioenvermogens en pensioenuitkeringen kunnen worden aangevuld en waarmee risico’s collectief kunnen worden gedeeld. De reserve is geen afgescheiden vermogen maar onderdeel van het totale pensioenvermogen. Verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen en beroepspensioenfondsen die een verbeterde premieovereenkomst uitvoeren kunnen ook een solidariteitsreserve toevoegen. In artikel 10c van de Pensioenwet staat een verdere uitwerking van de solidariteitsreserve.

Hier de tekst

Hier de tekst

Hier de tekst

Hier de tekst

Hier de tekst

Hier de tekst

Hier de tekst

Hier de tekst

Hier de tekst

Start typing and press Enter to search