Artikel 10b Verbeterde premieovereenkomst

1 Bij een verbeterde premieovereenkomst wordt de premie belegd tot de pensioendatum. Het kapitaal voortvloeiend uit de premies wordt vanaf de pensioendatum gebruikt voor financiering van een vastgestelde of variabele uitkering.

2 Bij een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds kan een solidariteitsreserve onderdeel zijn van een verbeterde premieovereenkomst.

3 Bij de variabele uitkering worden financiële mee- of tegenvallers die het gevolg zijn van het beleggingsrisico of van de ontwikkeling van de levensverwachting verwerkt door middel van individuele toedeling of door middel van een collectief toedelingsmechanisme. De verwerking van financiële mee- of tegenvallers die het gevolg zijn van het sterfteresultaat gebeurt door middel van een collectief toedelingsmechanisme.

4 De vormgeving van het collectief toedelingsmechanisme voor het beleggingsrisico is zodanig dat er op voorhand geen herverdelingseffecten tussen leeftijdsgroepen plaatsvinden.

5 Het voor pensioen bestemd vermogen kan niet negatief zijn.

6 De pensioenuitvoerder past een collectief toedelingsmechanisme toe op een toedelingskring die bestaat uit pensioengerechtigden.

7 In afwijking van het zesde lid kunnen:

a deelnemers of gewezen deelnemers deel uitmaken van de toedelingskring in de laatste tien jaar voorafgaand aan de pensioenrichtleeftijd, bedoeld in artikel 18a, zesde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, waarbij de deelname van deelnemers of gewezen deelnemers aan de toedelingskring plaatsvindt door tijdsevenredige toetreding tot het collectief toedelingsmechanisme in deze periode; en

b bij een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds alle deelnemers, gewezen deelnemers of andere aanspraakgerechtigden deel uitmaken van de toedelingskring voor het collectief toedelingsmechanisme voor verwerking van het sterfteresultaat.

8 Indien het kapitaal voortvloeiend uit een premie-kapitaalovereenkomst vanaf de pensioendatum wordt aangewend voor een variabele uitkering zijn het derde, vierde, zesde en zevende lid, onderdeel a, van overeenkomstige toepassing.

9 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel over onder meer de tarieven voor een vastgestelde uitkering.

Consultatiedocument, p. 34-38:

3.4 Het kader voor de verbeterde premieregeling
Naast het nieuwe contract kunnen sociale partners kiezen voor de verbeterde premieregeling. Deze premieregeling wordt momenteel vaak aangeduid met ‘de verbeterde premieregeling’ en kan bijvoorbeeld geschikt zijn voor sectoren waar sociale partners de voorkeur hebben voor een contract met een meer persoonlijk karakter in de opbouwfase of voor ondernemingen en sectoren waar risicodeling met toekomstige deelnemers niet goed mogelijk is vanwege onvoldoende continuïteit. Met dit wetsvoorstel wordt de verbeterde premieregeling op enkele punten verder verbeterd onder de benaming ‘verbeterde premieregeling’. Zoals eerder beschreven wordt de risicohouding voortaan per leeftijdscohort vastgesteld. Een risicohouding per leeftijdscohort past ook goed bij de verbeterde premieregeling, waarbij sprake is van maatwerk in het beleggingsbeleid (life-cycle beginsel). Dit bleek ook uit de evaluatie van de Wet verbeterde premieregeling. [voetnoot 39: Bijlage bij Kamerstukken II, 2019/20, 32043, nr. 501, p.41.]

Hiernaast zal de verbeterde premieregeling beter toegankelijk worden voor verplichtgestelde pensioenfondsen door optionele solidariteitselementen mogelijk te maken. Het kader hiervoor wordt beschreven in paragraaf 3.4.1. Daarnaast wordt het mogelijk voor sociale partners om bij de bestaande keuzemogelijkheid voor een vastgestelde of variabele uitkering, de variabele uitkering als standaardoptie af te spreken. Dit element wordt behandeld in paragraaf 3.4.2.

3.4.1. Optionele solidariteitselementen
Solidariteitselementen voor verplichtgestelde pensioenfondsen
Bij de uitwerking van het pensioenakkoord is bezien op welke wijze de bestaande verbeterde premieregeling toegankelijker kan worden voor verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen en beroepspensioenfondsen. De huidige wetgeving omtrent premieregelingen is goed uitvoerbaar voor verzekeraars, premiepensioeninstellingen en niet-verplichtgestelde pensioenfondsen, maar kent enkele belemmeringen voor verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen en beroepspensioenfondsen. Ten eerste en als voornaamste betreft dit de combinatie van de fiscale premiestaffels voor een premieregeling met de op dit moment verplichte doorsneepremie bij verplichtgestelde fondsen. De overstap op een leeftijdsonafhankelijke premie-inleg, maakt de verbeterde premieregeling ook voor (verplichtgestelde) bedrijfstak- en beroepspensioenfondsen een beter bereikbaar alternatief.

Ten tweede is het van belang dat deelname aan een bedrijfstakpensioenfonds en beroepspensioenfonds met een verbeterde premieregeling (nog steeds) verplicht kan worden gesteld. De regering is van mening dat de verplichtstelling onder andere kan worden gerechtvaardigd met de bedrijfstakbrede acceptatieplicht die een verplichtstelling met zich meebrengt. En in het feit dat zonder verplichtstelling het pensioenfonds de pensioenregeling met zowel rendabele als niet-rendabele diensten, niet meer tegen economische aanvaardbare kosten kan uitvoeren voor alle werkgevers in de betreffende sector. Gegeven het doel van een aanvullende pensioenregeling voor alle werknemers in de bedrijfstak, kan een eventuele inbreuk op het mededingingsrecht, hiermee worden gerechtvaardigd. [voetnoot 40: Een nadere toelichting op de verplichtstelling is opgenomen in hoofdstuk 9 Europees rechtelijke houdbaarheid van de stelselherziening.]

Evenwel kunnen aanvullende solidariteitselementen bijdragen aan de houdbaarheid van de verplichtstelling en zodoende zorgen hierover in de sector wegnemen. Voorgesteld wordt om twee solidariteitselementen optioneel mogelijk te maken voor verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen en beroepspensioenfondsen, te weten een solidariteitsreserve en het breder delen van het micro-langlevenrisico. Sociale partners respectievelijk beroepsgenoten kunnen bij keuze voor een verbeterde premieregeling zelf overwegen of zij deze optionele solidariteitselementen in hun situatie van voldoende meerwaarde vinden.

Solidariteitselementen hebben op voorhand minder meerwaarde bij niet-verplichtgestelde pensioenfondsen en verzekeraars De solidariteitselementen in de verbeterde premieregeling passen minder goed bij de verbeterde premieregeling zoals uitgevoerd door verzekeraars. Kernelement van de verbeterde premieregeling is immers de keuzevrijheid die de deelnemer bij pensionering heeft voor een vastgestelde of variabele uitkering. Bij verzekeraars gaat dit tevens gepaard met de keuze voor een pensioenuitvoerder, het zogenoemde shoprecht. Dit verhoudt zich niet goed tot solidariteitselementen die verdergaande risicodeling tussen de opbouw- en uitkeringsfase mogelijk maken. Bij pensioenfondsen is het shoprecht in de verbeterde premieregeling reeds op voorhand beperkter. Om deze redenen worden de aanvullende collectieve solidariteitselementen alleen toegankelijk voor verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen en beroepspensioenfondsen.

Solidariteitsreserve
Bij het nieuwe contract is de solidariteitsreserve een verplicht intrinsiek onderdeel van de pensioenregeling. Dit wetsvoorstel maakt mogelijk dat sociale partners, respectievelijk beroepsgenoten ook bij de verbeterde premieregeling kunnen kiezen voor toevoeging van een solidariteitsreserve. Bijvoorbeeld als er behoefte is aan verdergaande risicodeling tussen leeftijdscohorten dan op basis van het huidige kader van de verbeterde premieregeling mogelijk is.

De solidariteitsreserve binnen de verbeterde premieregeling is vergelijkbaar met de solidariteitsreserve in het nieuwe contract en kent in beginsel dezelfde voorwaarden en grenzen (zie paragraaf 3.3.4 voor een uitgebreide beschrijving). Zo moeten ook in geval van een verbeterde premieregeling sociale partners en pensioenfondsen vooraf afspraken vastleggen over de solidariteitsreserve, de evenwichtigheid ervan cijfermatig onderbouwen met analyses gebaseerd op toekomstscenario’s en de mate van herverdeling die wordt toegestaan expliciet motiveren. Het is binnen de verbeterde premieregeling bijvoorbeeld goed voorstelbaar dat partijen deze gebruiken om het macro-langlevenrisico te delen tussen de opbouw en uitkeringsfase, zoals eerder in paragraaf 3.3.2 beschreven. Bij de verbeterde premieregeling kan dit alleen via de solidariteitsreserve. Anders dan het nieuwe contract is er in de verbeterde premieregeling ten aanzien van de solidariteitsreserve sprake van een gescheiden vermogen met een aparte beleggingsmix.

Indien sociale partners kiezen voor een solidariteitsreserve als onderdeel van de verbeterde premieregeling zullen zij rekening moeten houden met de kenmerken van de verbeterde premieregeling. Sociale partners zullen bij de opdrachtverlening aan het pensioenfonds, waarbij concreet wordt aangegeven wat zij met de solidariteitsreserve willen bereiken, tevens moeten aangeven hoe met de solidariteitsreserve moet worden omgegaan wanneer deelnemers kiezen voor een vastgestelde uitkering of gebruik maken van het (beperkt) shoprecht. Het pensioenfonds draagt zorg voor de technische en financiële inrichting van de solidariteitsreserve. Zie ook paragraaf 3.3.4. Of het evenwichtig is om bij de keuze voor een vastgestelde uitkering of bij gebruik van het (beperkt) shoprecht een deel van de solidariteitsreserve mee te geven, zal ten minste afhangen van de doeleinden waarvoor de solidariteitsreserve wordt ingezet. Indien de solidariteitsreserve bijvoorbeeld wordt gebruikt voor het aanvullen van een tegenvallend pensioen op pensioendatum, is het voorstelbaar dat dit ook geldt indien een deelnemer voor een vastgestelde uitkering of een uitkering bij een andere pensioenuitvoerder kiest. Indien de solidariteitsreserve is bedoeld voor het opvangen van schokken tijdens de uitkeringsfase, of zelfs alleen de opbouwfase, ligt dit wellicht minder voor de hand. Indien sprake is van meerdere beleggingsprofielen zal bij de inrichting van de solidariteitsreserve ook geëxpliciteerd moeten worden hoe hiermee bij de vul- en uitdeelregels zal worden omgegaan en in hoeverre dit evenwichtig is.

Daarnaast zullen pensioenfondsen de implicaties van de solidariteitsreserve voor de keuze voor een vast of variabel pensioen mee moeten nemen in de informatie die op het voorlopig en definitief keuzemoment aan de deelnemer verstrekt wordt.

Micro-langlevenrisico
Micro-langlevenrisico is het (financiële) risico dat een individu langer leeft dan gemiddeld. Op grond van de huidige verbeterde premieregeling, moet het micro-langlevenrisico in de uitkeringsfase verplicht gedeeld of verzekerd worden. Deze risico’s worden gedeeld tussen pensioengerechtigden en (indien van toepassing) deelnemers en gewezen deelnemers die voor pensionering instromen in een collectieve toedelingskring. Dit wetsvoorstel maakt het eveneens mogelijk om het micro-langlevenrisico in geval van verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen en beroepspensioenfondsen, over de gehele fondspopulatie, te delen.

Het collectief delen of verzekeren van micro-langlevenrisico voorkomt dat een deelnemer die ouder wordt dan verwacht, te maken krijgt met een sterk dalende pensioenuitkering. Hierbij geldt dat hoe groter de groep is om dit risico mee te delen, hoe kleiner het risico is dat het verwachte pensioen van een individu naar beneden moet worden bijgesteld. Dit komt omdat dit risico verschillende deelnemers vrijwel onafhankelijk treft; het is niet op voorhand te zeggen wie korter of langer leeft dan gemiddeld. Het risico op langleven valt gemiddeld gezien weg tegen het risico op kortleven wanneer dit wordt gebundeld in de groep. De mogelijkheid om het micro- langlevenrisico uniform met de gehele fondspopulatie te delen spreidt het risico voor alle (gewezen) deelnemers en pensioengerechtigden over een grotere populatie. Hiervan hebben alle deelnemers profijt.

Bovenstaande gaat uit van het delen van het micro-langlevenrisico zonder dat het pensioenfonds een solidariteitsreserve aanhoudt. Sociale partners kunnen er ook voor kiezen om het micro- langlevenrisico via de solidariteitsreserve op te vangen, bijvoorbeeld om hiermee gericht het micro-langlevenrisico van oudere gepensioneerden op te vangen. Ook blijft het mogelijk dit risico alleen binnen de collectieve toedelingskring in de uitkeringsfase te delen of om dit risico in de uitkeringsfase te verzekeren.

Naast deze verbeteringen zal een goede standaardoptie moeten blijven bestaan, voor deelnemers die ondanks de inzet van pensioenuitvoerders, geen keuze maken. De bestaande wettelijke standaardoptie van de vastgestelde uitkering beschermt deelnemers tegen fluctuaties van de nominale uitkering in de uitkeringsfase. De regering acht dit belangrijk, omdat hiermee wordt voorkomen dat deelnemers onbewust terechtkomen in risicovolle uitkeringen die niet passen bij hun financiële situatie. Tegelijk is bij de evaluatie van de Wet verbeterde premieregeling naar voren gekomen dat het in ieder geval voor een deel van de deelnemers goed mogelijk is dat een vastgestelde uitkering eigenlijk minder goed bij de persoonlijke situatie past dan een variabele uitkering. Daarnaast biedt een nominaal vastgestelde uitkering, zoals aangeboden door verzekeraars, geen perspectief op indexatie. Dit sluit niet aan bij de doelstellingen van het pensioenakkoord en van dit wetsvoorstel om meer perspectief op koopkrachtbehoud te bieden. In het licht van deze overwegingen wordt met dit wetsvoorstel geregeld dat sociale partners de mogelijkheid krijgen een andere standaardoptie te kiezen. Dit geldt zowel indien de uitvoering van de pensioenovereenkomst is ondergebracht bij een verzekeraar als bij een pensioenfonds en zowel indien sprake is van individuele als collectieve toedeling van risico’s in de uitkeringsfase. Opgemerkt wordt dat de gekozen standaardoptie ook geldt voor het voorlopig keuzemoment. Op deze manier wordt geborgd dat het beleggingsbeleid in aanloop naar pensionering aansluit bij de standaardoptie op het definitieve keuzemoment.

De nieuwe mogelijkheid voor sociale partners om een variabele standaardoptie af te spreken, vervangt de bestaande mogelijkheid voor pensioenfondsen hiertoe. Op grond van bestaande wetgeving treedt een deelnemer bij een pensioenfonds dat alleen een variabele uitkering aanbiedt, standaard toe in een variabele uitkering, wanneer de deelnemer reeds is toegetreden tot een collectieve toedelingskring. Sociale partners kunnen daarbij afspreken dat die toetreding tot de collectieve toedelingskring de standaardoptie is. De facto betrof dit bij pensioenfondsen een route waarmee deelnemers als standaardoptie in de variabele uitkering terecht kwamen. Deze bepaling kan komen te vervallen. Ook de bestaande bepaling die waardeoverdracht beperkt indien een deelnemer is toegetreden tot een collectieve toedelingskring, komt met dit wetsvoorstel te vervallen. Hiermee vervalt tot slot tevens de bij de evaluatie van de Wet verbeterde premieregeling voorgenomen verplichting dat deelnemers minimaal vijf jaar van te voren zouden moeten instromen in een collectieve toedelingskring om van de bestaande mogelijkheid gebruik te kunnen maken. [voetnoot 44: Kamerstukken II, 2019/20, 32043, nr. 501, p. 6.]

De regering vindt het van belang dat indien sociale partners een standaardoptie afspreken, deze aansluit bij de doelgroep. Hier is ook bij de evaluatie van de Wet verbeterde premieregeling op gewezen. [voetnoot 45: Bijlage bij Kamerstukken II, 2019/20, 32043, nr. 501, p. 41.] Dit kan ook betekenen dat – bij een doelgroep met bijvoorbeeld weinig risicobereidheid en weinig risicodraagvlak – een vaste standaardoptie toch meer passend is. Indien een pensioen- overeenkomst niet via cao of middels verplichte aansluiting bij een bedrijfstakpensioenfonds geregeld is, is het van belang dat de ondernemingsraad de standaardoptie meeneemt in haar instemmingsrecht inzake de gewijzigde pensioenovereenkomst. In geval van een pensioenfonds zal het pensioenfond hiernaast bij de opdrachtaanvaarding moeten toetsen of de gekozen uitvoeringsvariant aansluit bij de risicohouding van de doelgroep. Daarnaast geldt dat pensioenuitvoerders in hun beleggingsbeleid rekening moeten houden met de risicohouding van de doelgroep. Dit geldt ook voor de uitkeringsfase. Dit kan betekenen dat ook indien er sprake is van een variabele uitkering, toch beperkt risico kan worden genomen.

Indien sociale partners geen afspraken maken, blijft de vastgestelde uitkering om eerder genoemde redenen de standaardoptie. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat wat de standaardoptie ook is, deelnemers de mogelijkheid behouden om zelf voor een andere uitkeringsvorm te kiezen.

3.4.2. Contractspartijen kiezen default
Sinds de inwerkingtreding van de Wet verbeterde premieregeling hebben deelnemers de mogelijkheid om pensioenkapitaal in de uitkeringsfase door te beleggen. Zij hebben kort gezegd de mogelijkheid gekregen om te kiezen voor een vastgestelde (niet doorbeleggen) of variabele uitkering (wel doorbeleggen na pensionering). De verbeterde premieregeling onderscheidt zich op dit punt van het nieuwe contract. Dit wetsvoorstel wijzigt deze keuzemogelijkheid niet.

Dit wetsvoorstel wijzigt ook de uitvoering hieromtrent niet. Pensioenfondsen voeren veelal maar één van beide varianten uit. Zowel pensioenfondsen die alleen een vastgestelde uitkering willen aanbieden als pensioenfondsen die een variabele uitkering willen aanbieden kunnen dit doen, zoals bij het debat van 14 juli 2020 ook is toegezegd. [voetnoot 41: Handelingen II 2019/20, nr. 93, item 3.] Voor de vastgestelde uitkering die wordt uitgevoerd door pensioenfondsen, gelden de regels op grond van het financieel toetsingskader voor vaste uitkeringen. Indien een pensioenfonds de voorkeursvariant niet aanbiedt, kan een deelnemer voor zijn uitkering een andere pensioenuitvoerder in de arm nemen. Dit kan een pensioenfonds zijn indien de deelnemer daar in het verleden reeds pensioen bij opgebouwd heeft, een verzekeraar of een premiepensioeninstelling (beperkt shoprecht).

Uitgangspunt van de Wet verbeterde premieregeling is dat deelnemers zelf een keuze maken tussen een vastgestelde en een variabele uitkering. Als deelnemers zelf een keuze maken, dan is de verwachting dat dit het beste zal aansluiten bij hun eigen situatie en wensen. In de praktijk maken veel deelnemers nu zelf geen (bewuste) keuze tussen vast en variabel. Zij komen in de standaardoptie terecht. Op dit moment is dat veelal de vastgestelde uitkering. Bij evaluatie van de Wet verbeterde premieregeling bleek dat circa 95% van de aangekochte uitkeringen in 2018 een vastgestelde uitkering betrof, veelal als resultaat van de standaardoptie. [voetnoot 42: Kamerstukken II, 2019/20, 32043, nr. 501, p. 3.]

Om deelnemers beter in staat te stellen om daadwerkelijk een keuze te maken is ingezet op het verbeteren van de informatievoorziening richting deelnemers. [voetnoot 43: Kamerstukken II, 2020/21, 32043, nr. 548.] Hiernaast zullen in de algemene maatregel van bestuur bij dit wetsvoorstel de informatievoorschriften ten aanzien van de keuzebegeleiding op het voorlopig keuzemoment worden verstevigd. Pensioenuitvoerders zullen beter inzicht moeten geven in de gevolgen en risico’s van de keuze voor de deelnemer. De keuze op het voorlopig keuzemoment is belangrijk voor het beleggingsbeleid tot aan pensionering. Het is daarnaast een belangrijk eerste moment dat deelnemers geactiveerd worden om over hun pensioenkeuze na te denken. Ook zal bij algemene maatregel van bestuur de zorgplicht geregeld worden, voor het geval dat een pensioenuitvoerder van een variabele uitkering, hierbinnen de mogelijkheid biedt een gedeelte van het vermogen te gebruiken voor een vastgestelde uitkering (i.e. een combinatieproduct met een vast en variabel gedeelte). De pensioenuitvoerder zal, zoals aangegeven bij de evaluatie van de Wet verbeterde premieregeling, bij het keuzemoment de meest geschikte combinatie van een vast en variabel pensioen aan moeten bieden, in aansluiting op diens risicoprofiel.

[…]

Consultatiedocument, p. 54:

Actuariële en bedrijfstechnische nota
In de actuariële en bedrijfstechnische nota geeft een pensioenfonds een beschrijving van de opzet en het beleid van het pensioenfonds en wordt in ieder geval omschreven op welke wijze uitvoering wordt gegeven aan enkele wettelijke bepalingen, zoals omtrent de uitvoeringsovereenkomst, de technische voorzieningen, de premie, het (minimaal) vereist eigen vermogen, de kortingen, de beleggingen en de toeslagverlening. Ten aanzien van het nieuwe contract en de verbeterde premieregeling wordt aan de vereisten toegevoegd dat in de actuariële en bedrijfstechnische nota wordt omschreven hoe uitvoering wordt gegeven aan de wettelijke regels voor de solidariteitsreserve, de toedelingsregels, het projectierendement of de vaste daling en de risicohouding. Daarnaast is in hoofdstuk 3 opgenomen dat de voor het pensioen bestemde vermogens niet negatief mogen worden. Hiertoe dient het pensioenfonds vast te leggen op welke wijze dit voorkomen wordt. Dit is onderdeel van het beleid van het pensioenfonds voor deze type pensioenovereenkomsten en daarom wordt deze beschrijving ook opgenomen in de actuariële en bedrijfstechnische nota.

[…]

Consultatiedocument, p. 106:

Werkgevers en werknemers besluiten ook over het type premieregeling dat zij wensen. In geval sprake is van uitvoering van de pensioenregeling door een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds of beroepspensioenfonds en gekozen wordt voor de verbeterde premieovereenkomst, wordt tevens bezien of extra solidariteitselementen aan de pensioenregeling worden toegevoegd. In geval werkgevers en werknemers kiezen voor een verbeterde premieovereenkomst, kunnen zij tevens besluiten over de standaardoptie voor de uitkeringsfase (vastgestelde of variabele uitkering). Indien geen keuze gemaakt wordt door werknemers en werkgevers, geldt de vastgestelde uitkering als standaardoptie.

[…]

Consultatiedocument, p. 122:

Toepassing op de verbeterde premieregeling
Ook de verbeterde premieregeling is in hoofdstuk 3 omschreven en toegelicht. Evenals bij het nieuwe contract is ten aanzien van de verbeterde premieregeling de rechtvaardiging van de verplichtstelling te vinden in de bedrijfstakbrede (of beroepsgroepbrede) acceptatieplicht. Individuele deelnemers of bedrijven worden dus op grond van hun risicoprofiel niet geweigerd, noch met hogere premies geconfronteerd. Voor de juridische onderbouwing is verder van belang dat aannemelijk kan worden dat het zonder de verplichtstelling naar verwachting niet mogelijk zal zijn om de pensioenregeling voor alle betrokken ondernemingen tegen economisch aanvaardbare kosten uit te voeren.

Uit de juridische analyses die de regering heeft laten uitvoeren, blijkt dat de verplichtstelling van de ‘kale’ verbeterde premieregeling gerechtvaardigd kan worden, mits voldoende aannemelijk gemaakt kan worden dat de verplichtstelling leidt tot economisch meer aanvaardbare kosten. Dit zal doorgaans bij een ‘kale’ verbeterde premieregeling lastiger aan te tonen zijn dan bij het nieuwe contract. De regering hecht aan een zo vrij mogelijke keuze uit de twee typen premieregelingen. Daarom kunnen partijen die kiezen voor een verbeterde premieregeling ervoor kiezen om optionele solidariteitselementen toe te voegen aan de pensioenregeling: een solidariteitsreserve en het breder delen van micro-langlevenrisico.

Door het toevoegen van een solidariteitsreserve ontstaat risicodeling tussen huidige generaties en met toekomstige generaties. Deze verbreding van het risicodraagvlak levert welvaartswinst op. Om de risicodeling tussen generaties goed te kunnen waarborgen is een verplichtstelling noodzakelijk, omdat zonder de verplichtstelling de werkgevers met gemiddeld veel goede risico’s hun pensioenregeling elders kunnen laten uitvoeren, waardoor de pensioenregeling voor de overige werkgevers niet meer tegen economisch aanvaardbare kosten uitgevoerd kan worden. De toevoeging van de solidariteitsreserve leidt er zonder meer toe dat aannemelijk is dat de verplichtstelling leidt tot economisch meer aanvaarbare kosten.

Het breder delen van het micro-langlevenrisico leidt ertoe dat het risico dat het verwacht pensioen van een individu naar beneden bijgesteld moet worden als gevolg van dat hij langer leeft dan verwacht kleiner wordt. Voor deze vorm van solidariteit is de verplichtstelling niet in alle gevallen noodzakelijk. Hoewel voor deze vorm van solidariteit de verplichtstelling wellicht niet in alle gevallen noodzakelijk is, omdat het micro-langlevenrisico ook verzekerd kan worden, wordt de solidariteit binnen de pensioenregeling door toevoeging van dit element evenwel vergroot.

[…]

Consultatiedocument, p. 160-161:

Artikel I, onderdeel F en artikel VII, onderdeel J

Artikel 10b Pensioenwet en artikel 28b Wvb
In artikel 10b van de Pensioenwet en artikel 28b Wvb is een regeling opgenomen van de verbeterde premieovereenkomst. Daarbij gaat het deels om nieuwe bepalingen en deels om bepalingen die nu in artikel 63a van de Pensioenwet en artikel 75a Wvb staan en zijn verplaatst naar dit artikel.

In het eerste lid is weergegeven dat bij de verbeterde premieovereenkomst de opbouwfase en de uitkeringsfase te onderscheiden zijn. Met het kapitaal voortvloeiend uit de premie die tot de pensioendatum wordt belegd kan vanaf de pensioendatum een vastgestelde uitkering of een variabele uitkering worden gefinancierd. Bij uitvoering door een verzekeraar kan de (gewezen) deelnemer shoppen voor een uitkering bij een andere uitvoerder, bij uitvoering door een pensioenfonds kan dit indien het pensioenfonds de uitkeringsvorm die de (gewezen) deelnemer wenst niet uitvoert.
Op grond van het tweede lid kan bij een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds of een beroepspensioenfonds een solidariteitsreserve onderdeel zijn van de verbeterde premieovereenkomst.

Het derde, vierde, zesde en zevende lid, onderdeel a, zijn verplaatst en staan in de huidige wet in artikel 63a, derde tot en met zesde lid, van de Pensioenwet en artikel 75a, derde tot en met zesde lid, Wvb. In deze leden wordt de verwerking van financiële mee- en tegenvallers in de variabele uitkering geregeld en de vormgeving van het collectief toedelingsmechanisme dat daarvoor wordt gebruikt. Deze bepalingen zijn ongewijzigd ten opzichte van de regeling in artikel 63a van de Pensioenwet en artikel 75a Wvb. Voor de verwerking van het sterfteresultaat blijft gelden dat dit ook verzekerd kan worden.
In het vijfde lid is bepaalde dat het voor pensioen bestemd vermogen niet negatief kan zijn.

In het zevende lid, onderdeel b, is toegevoegd dat het collectief toedelingsmechanisme dat wordt gebruikt om het sterfteresultaat te verwerken bij een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds of een beroepspensioenfonds kan bestaan uit alle deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden van het pensioenfonds. Dit is een van de collectieve elementen die een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds of een beroepspensioenfonds kan toevoegen aan de verbeterde premieovereenkomst.

Op grond van het achtste lid is de regeling voor verwerking van financiële mee-en tegenvallers en het collectief toedelingsmechanisme van overeenkomstige toepassing indien bij een premie-kapitaalovereenkomst het kapitaal wordt aangewend voor een variabele uitkering.

 

Hier de tekst

Hier de tekst

Hier de tekst

Hier de tekst

Hier de tekst

Hier de tekst

Hier de tekst

Hier de tekst

Hier de tekst

Start typing and press Enter to search