Artikel 16 Nadere eisen nabestaandenpensioen

1 Indien een pensioenovereenkomst voorziet in een nabestaandenpensioen wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

a een nabestaandenpensioen bij overlijden voor pensioendatum betreft een nabestaandenpensioen op risicobasis en de hoogte is diensttijdonafhankelijk;

b een nabestaandenpensioen bij overlijden op of na pensioendatum betreft een nabestaandenpensioen op opbouwbasis; en

c indien sprake is van een partnerpensioen, voorziet de pensioenovereenkomst voor alle partnerrelaties in partnerpensioen en wordt geen onderscheid gemaakt al naar gelang het type partnerrelatie. Indien een pensioenovereenkomst voorziet in een partnerpensioen ten behoeve van een partner met wie de deelnemer niet gehuwd is, noch een geregistreerd partnerschap heeft, gelden voor deze partner ten aanzien van de wijze van vaststelling van het partnerpensioen dezelfde rechten en plichten als voor een gehuwde of geregistreerde partner.

2 Een werknemer of gewezen werknemer kan op enig moment slechts één partner hebben. Indien de werknemer of gewezen werknemer op dat moment meer dan één partner zou hebben, wordt alleen de partner uit de oudste verbintenis als partner in de zin van deze wet aangemerkt.

3 Elk beding in strijd met dit artikel is nietig.2 Elk beding in strijd met het eerste lid is nietig.

Consultatiedocument, p. 124:

Sociale partners kunnen ervoor kiezen een nabestaandenpensioen in de pensioenovereenkomst op te nemen. De wijze waarop nabestaandenpensioen is vormgegeven is vooral de afgelopen 20 jaar aan grote wijziging onderhevig geweest. Nabestaandenpensioenregelingen vertonen een grote verscheidenheid in opbouwpercentages, financieringsvormen en de wijze waarop het partnerbegrip wordt ingevuld. Het nabestaandenpensioen is versnipperd geraakt en daardoor in veel gevallen onoverzichtelijk voor mensen. Daarnaast geldt dat mensen tegenwoordig in toenemende mate gedurende hun werkzame leven meerdere werkgevers en meerdere (opeenvolgende) partners hebben, hetgeen het nabestaandenpensioen verder compliceert. Op verschillende momenten worden deelnemers gewezen op een eventueel nabestaandenpensioen uit de pensioenregeling, bijvoorbeeld bij indiensttreding, op het uniform pensioenoverzicht en soms bij bepaalde life events, met het doel om bewustwording te creëren. De diversiteit in pensioenregelingen, gecombineerd met het relatief lage pensioenbewustzijn van de gemiddelde Nederlander, maakt dat het voor deelnemers lastig is om inzicht te krijgen in de manier waarop het nabestaandenpensioen voor hen is geregeld.

[…]

Consultatiedocument, p. 129:

10.3 Toelichting op de wijzigingen inzake het nabestaandenpensioen
Zoals in de inleiding van dit hoofdstuk aangekondigd is het wenselijk dat het nabestaandenpensioen meer gestandaardiseerd wordt. Dit wetsvoorstel is een invulling van die wenselijkheid, en heeft als doel om de risico’s die deelnemers en hun nabestaanden ten aanzien van nabestaandenpensioen lopen te verkleinen.

1. Partnerpensioen ter dekking van het risico op overlijden ná pensioendatum
Het wetsvoorstel stelt geen inhoudelijke wijzigingen voor ten aanzien van het partnerpensioen bedoeld ter dekking van het risico op overlijden na pensioendatum. Het wetsvoorstel legt vast dat als een partnerpensioen ter dekking van het risico op overlijden na pensioendatum wordt aangeboden, dat het dan altijd op kapitaalbasis gefinancierd wordt. Deze vastlegging kan gezien worden als een codificering van de huidige praktijk. Voor de fiscale facilitering mag de dekking maximaal 70% van het ouderdomspensioen op de pensioendatum bedragen. Het partnerpensioen ter dekking van het risico op overlijden na pensioendatum wordt verworven gedurende de actieve periode van een deelnemer en behoudt zijn waarde bij een wisseling van baan. Bij een scheiding ontstaat bijzonder partnerpensioen voor de ex-partner. Op de pensioendatum kan een deelnemer, net als nu het geval is, de keuze maken om, met toestemming van de partner, een deel van het partnerpensioen uit te ruilen naar ouderdomspensioen. Een uitruil van een deel van het ouderdomspensioen naar partnerpensioen is eveneens mogelijk op de pensioendatum en bij uitdiensttreding. Waarbij de hoogte van het partnerpensioen maximaal 70% bedraagt van het ouderdomspensioen dat na de uitruil resteert.

2. Partnerpensioen ter dekking van het risico op overlijden vóór pensioendatum
Het partnerpensioen ter dekking van het risico op overlijden voor pensioendatum is zoals eerder in dit hoofdstuk aangegeven op dit moment divers vormgegeven, waardoor het overzicht en inzicht in het partnerpensioen voor veel deelnemers en hun nabestaanden vertroebeld is geraakt. In het wetsvoorstel wordt gepoogd een einde te maken aan deze onduidelijkheid, door de vormgeving te standaardiseren. Conform het advies van de Stichting stelt dit wetsvoorstel voor dat (fiscaal gefaciliteerd) partnerpensioen ter dekking van het risico op overlijden voor pensioendatum enkel nog op risicobasis kan plaatsvinden. Omdat er voor pensioendatum een relatief kleine kans is op overlijden, maar doorgaans wel met grote financiële gevolgen, ligt een risicodekking voor de hand. De afdekking van het risico wordt op die manier meer als een verzekeringsvraagstuk behandeld. Daarnaast geldt, eveneens conform het advies van de Stichting, dat het uitgangspunt voor de dekking van het partnerpensioen bij overlijden voor pensioendatum een levenslange uitkering vormt. Indien het partnerpensioen tot daadwerkelijke uitkering komt, bestaat reeds de mogelijkheid voor een hoog-laaguitkering. De Stichting heeft tevens geadviseerd om extra mogelijkheden te creëren voor maatwerk in de hoogte van de uitkering, bijvoorbeeld in de vorm van een hogere uitkering tot maximaal een jaarsalaris gedurende een beperkte periode (actuarieel neutraal). De regering staat in beginsel positief tegenover de mogelijkheden voor extra maatwerk, waarbij aandacht wordt gevraagd voor beleidsmatige aspecten (zoals vergroting financiële risico’s voor deelnemers) en uitvoeringsaspecten (zoals keuzebegeleiding). Het mogelijk maken van extra maatwerk zal worden onderzocht, waarbij bovengenoemde aspecten zullen worden betrokken. De resultaten van dit onderzoek zullen weerslag vinden in de definitieve versie van het wetsvoorstel zoals dat voor parlementaire behandeling zal worden ingediend.

[…]

Consultatiedocument, p. 130:

Nieuw ten opzichte van de huidige risicodekking voor partnerpensioen is dat wettelijk verplicht wordt dat de dekking diensttijdonafhankelijk is. De hoogte van het partnerpensioen is daardoor niet meer afhankelijk van het arbeidsverleden of de dienstjaren bij de huidige werkgever. Voor deelnemers is deze wijziging met name relevant na een baanwisseling. In de huidige situatie gaat men bij het bepalen van de hoogte van het partnerpensioen op risicobasis uit van de vanaf aanvang van de dienstbetrekking nog te bereiken dienstjaren in de pensioenregeling. De oude diensttijd bij de vorige werkgever wordt in de regel niet meegenomen in die nieuwe berekening, terwijl dat fiscaal gezien wel mogelijk is. [voetnoot 177: Zie 2.6 uit het Besluit van 11 december 2018, nr. 2018-28514, waarin de inkoop van achterliggende dienstjaren ten behoeve van een partnerpensioen op risicobasis bij een baanwisseling fiscaal wordt toegestaan.] Het totale partnerpensioen dat op risicobasis is verzekerd komt daardoor lager uit. Door de diensttijdafhankelijkheid los te laten in de berekening, hoeft een deelnemer wat betreft de hoogte van het partnerpensioen geen nadeel te ondervinden van een overstap naar een nieuwe dienstbetrekking. Dit is met name gunstig voor deelnemers die op latere leeftijd van baan wisselen, hun nog te bereiken dienstjaren in de nieuwe pensioenregeling zullen immers beperkt zijn.

[…]

Consultatiedocument, p. 134-135:

10.4 Transitie naar het nieuwe stelsel voor nabestaandenpensioen
Transitieperiode
Dit wetsvoorstel legt per de inwerkingtreding van het wetsvoorstel (beoogd 1 januari 2022) de kaders voor een meer gestandaardiseerd nabestaandenpensioen vast. Het is aan sociale partners om hier in de onderhandelingen over de inhoud van de pensioenregeling invulling aan te geven. Uiterlijk aan het eind van de transitieperiode, dus per 1 januari 2026, dient het nabestaandenpensioen te voldoen aan de kaders die met dit wetsvoorstel worden gesteld. Door de wijzigingen in het nabestaandenpensioen mee te laten lopen in de onderhandelingen over de nieuwe pensioenovereenkomst kunnen sociale partners deze wijzigingen goed afstemmen op de in dat kader te maken afspraken. Met deze werkwijze wordt ook voorkomen dat sociale partners (en de pensioenuitvoerders) gedwongen worden de pensioenregelingen meerdere keren binnen een relatief korte periode aan te passen.

Deze werkwijze betekent dat de gewenste standaardisering tijdens de transitieperiode nog niet volledig is gerealiseerd. Vanaf het einde van de transitieperiode, te weten 2026, is hiervan wel sprake.

In hoofdstuk 2 Doelstelling zijn de voordelen van een nieuw pensioenstelsel uiteengezet. Eveneens is in dat hoofdstuk toegelicht waarom het wenselijk is om bestaande pensioenaanspraken en pensioenrechten en toekomstige pensioenopbouw bijeen te houden in één pensioenregeling. Het standaard invaarpad, zoals beschreven in hoofdstuk 6 Waarborgen van evenwichtige transitie van deze algemene toelichting, geldt voor alle bestaande pensioenaanspraken en pensioenrechten. Daaronder begrepen dus ook de bestaande aanspraken op nabestaandenpensioen alsook de reeds ingegane uitkeringen. De waarborgen en voorwaarden die gesteld worden aan het standaard invaarpad gelden daardoor onverkort ook voor het nabestaandenpensioen. Sociale partners en pensioenuitvoerders zullen in hun besluitvorming over invaren derhalve in het kader van evenwichtige besluitvorming ook rekening moeten houden de bestaande aanspraken op nabestaandenpensioen en de ingegane uitkeringen. Het uitgangspunt bij het invaren van het nabestaandenpensioen is dat hetgeen was toegezegd voor het nabestaandenpensioen bedoeld ter dekking van het risico op overlijden voor pensioendatum behouden kan blijven. Concreet betekent dit dat wanneer de oude pensioenregeling een partnerpensioen voor pensioendatum kende van 70% van het opgebouwde ouderdomspensioen, na het invaren een zelfde dekking gerealiseerd moet kunnen worden. Dit is met name relevant voor de gewezen deelnemers, omdat van hen niet bekend is of zij elders verzekerd zijn van een partnerpensioen. [voetnoot 185: Op welke manier het overgangsrecht bij invaren van nabestaandenpensioen vormgegeven moet worden, vergt nog nadere uitwerking. Deze uitwerking, waarbij het uitgangspunt dat deelnemers er qua rechten niet op achteruit gaan centraal zal staan, wordt in het eerste kwartaal van 2021 verder opgepakt. Er wordt in de uitwerking eveneens gekeken hoe uitvoering kan worden gegeven aan de motie Slootweg, 34 996, nr. 10.]

[…]

Consultatiedocument, p. 161-162:

Artikel I, onderdeel I en artikel VII, onderdeel L
Met dit onderdeel wordt beoogd om in de Pensioenwet en de Wvb regels te stellen aan de vormgeving van het nabestaandenpensioen, zodat wordt voorzien in een meer geüniformeerd nabestaandenpensioen. Zoals toegelicht in hoofdstuk 8 van het algemeen deel van de memorie van toelichting wordt voorgesteld om expliciet onderscheid te maken tussen nabestaandenpensioen bij overlijden van de werknemer of gewezen werknemer vóór de pensioendatum en nabestaandenpensioen bij overlijden van de werknemer of gewezen werknemer op of na de pensioendatum.

Voorgesteld wordt in onderdeel a vast te leggen dat nabestaandenpensioen dat voorziet in dekking van het risico van overlijden voor pensioendatum altijd op risicobasis wordt vormgegeven. Dit betekent dat er geen kapitaal wordt opgebouwd voor het nabestaandenpensioen, maar dat er een risicoverzekering is die het volledige verzekerde nabestaandenpensioen aan de partner dan wel (kort gezegd) het kind, stief- of pleegkind uitkeert als de werknemer gedurende de periode van deelneming overlijdt. Voorts wordt voorgesteld vast te leggen dat de hoogte van het nabestaandenpensioen bij overlijden voor pensioendatum diensttijdonafhankelijk dient te zijn. Dit betekent dat de hoogte niet afhankelijk is van het arbeidsverleden van de werknemer of het aantal dienstjaren bij de huidige werkgever.

Voorgesteld wordt in onderdeel b vast te leggen dat het nabestaandenpensioen dat voorziet in dekking voor het risico van overlijden op of na pensioendatum wordt vormgegeven op opbouwbasis (ook wel kapitaalbasis). Dit betekent dat gedurende de deelnemingsperiode kapitaal wordt opgebouwd, dat zijn waarde behoudt na beëindiging van de deelneming. Bij overlijden na pensioendatum kan vanuit het opgebouwde kapitaal het verzekerde nabestaandenpensioen aan de nabestaande(n) worden uitgekeerd.

Het voorgestelde onderdeel c heeft specifiek betrekking op partnerpensioen. Evenals naar huidig recht blijft het uitgangspunt dat een pensioenovereenkomst niet verplicht hoeft te voorzien in nabestaandenpensioen, waaronder aldus partnerpensioen. Met dit artikellid wordt getracht te borgen dat in de situatie dat een pensioenovereenkomst voorziet in partnerpensioen, hierbij geen onderscheid wordt gemaakt op basis van het type partnerrelatie (huwelijk, geregistreerd partnerschap of gezamenlijke huishouding). Allereerst is vastgelegd dat als een pensioenovereenkomst voorziet in partnerpensioen, dit het uitgangspunt dient te zijn voor alle type partnerrelaties. Dat brengt met zich dat een pensioenovereenkomst bijvoorbeeld niet enkel mag voorzien in partnerpensioen voor gehuwden en mensen met een geregistreerd partnerschap, en niet voor mensen die een gezamenlijke huishouding voeren. Voorts mag geen onderscheid worden gemaakt afhankelijk van het type partnerrelatie. Dat brengt bijvoorbeeld met zich dat het partnerpensioen voor gehuwden of mensen met een geregistreerd partnerschap niet hoger of lager mag zijn dan voor mensen die een gezamenlijke huishouding voeren. Dit uitgangspunt geldt naar huidig recht ook.
Voor de volledigheid zij opgemerkt dat dit artikellid in nauwe samenhang moet worden bezien met de relevante artikelen van de Wet op de loonbelasting 1964, aangezien daarin de begrenzingen voor het partnerpensioen en wezenpensioen zijn opgenomen. Zie in dit kader ook de artikelsgewijze toelichting bij artikel II.

Voorts wordt voorgesteld met het tweede lid expliciet vast te leggen dat een werknemer of gewezen op enig moment slechts één partner kan hebben. Op deze wijze wordt gerealiseerd dat er altijd maar één persoon is aan wie het partnerpensioen bij overlijden van de werknemer of gewezen werknemer tot uitkering komt. Niet uitgesloten is evenwel dat in specifieke situaties meerdere personen als partner in de zin van de wet kwalificeren. Derhalve wordt voorgesteld expliciet vast te leggen dat in dat geval de partner uit de oudste verbintenis als partner in de zin van de wet wordt aangemerkt.

Het derde lid schrijft voor dat elk beding in strijd met dit artikel nietig is.

Hier de tekst

Hier de tekst

Hier de tekst

Hier de tekst

Hier de tekst

Hier de tekst

Hier de tekst

Hier de tekst

Hier de tekst

Start typing and press Enter to search