Artikel 150m Interne collectieve waardeoverdracht pensioenfondsen bij transitie

1 Een pensioenfonds is op verzoek van de werkgever bevoegd tot collectieve waardeoverdracht indien de waardeoverdracht ertoe strekt in verband met een collectieve wijziging van de pensioenovereenkomsten de waarde van pensioenaanspraken of pensioenrechten aan te wenden bij het pensioenfonds overeenkomstig die gewijzigde pensioenovereenkomsten.

2 Het voornemen tot waardeoverdracht wordt door het pensioenfonds, onverwijld nadat het besluit tot waardeoverdracht is genomen maar uiterlijk zes maanden voor de beoogde datum van waardeoverdracht, schriftelijk gemeld aan de toezichthouder. De toezichthouder kan binnen die periode een verbod tot waardeoverdracht opleggen. De toezichthouder kan de termijn van zes maanden gemotiveerd verlengen met maximaal twee maal drie maanden.

3 Het pensioenfonds stelt het verantwoordingsorgaan in de gelegenheid advies uit te brengen over het verzoek tot collectieve waardeoverdracht met inbegrip van de verdeling van het vermogen van het pensioenfonds na de waardeoverdracht. Ten aanzien van dit advies zijn de artikelen 115a, vijfde en zesde lid, 115e en 217 van overeenkomstige toepassing.

4 Indien het verantwoordingsorgaan of een geleding binnen het verantwoordingsorgaan negatief adviseert over de voorgenomen waardeoverdracht, informeert het pensioenfonds de werkgever die het verzoek tot collectieve waardeoverdracht heeft gedaan hierover en vraagt de werkgever het verzoek tot waardeoverdracht te heroverwegen met inachtneming van het advies van het verantwoordingsorgaan of een geleding van het verantwoordingsorgaan. De werkgever onderbouwt het resultaat van de heroverweging.

5 Het pensioenfonds heeft de goedkeuring nodig van het belanghebbendenorgaan voor elk voorgenomen besluit met betrekking tot de collectieve waardeoverdracht met inbegrip van de verdeling van het vermogen van het pensioenfonds na de waardeoverdracht. Artikel 115c, vijfde, achtste, negende en tiende lid, is van overeenkomstige toepassing.

6 Bij de collectieve waardeoverdracht wordt de overdrachtswaarde door het pensioenfonds zodanig vastgesteld dat de voor mannen en vrouwen te verwerven pensioenrechten gelijk zijn waarbij aan het vereiste van collectieve actuariële gelijkwaardigheid op basis van dezelfde grondslagen wordt voldaan.

7 Het zesde lid is met betrekking tot:

a pensioenaanspraken opgebouwd in uitkeringsovereenkomsten, overeenkomstig de definitie zoals deze luidde op de dag voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen, van toepassing op pensioenaanspraken die vanaf 1 januari 2002 zijn opgebouwd;

b pensioenaanspraken opgebouwd in premieovereenkomsten en kapitaalovereenkomsten, wat betreft kapitaalovereenkomsten overeenkomstig de definitie zoals deze luidde op de dag voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen, van toepassing op pensioenaanspraken die vanaf 1 januari 2005 zijn opgebouwd.

8 Op pensioenaanspraken die voor de in het zesde lid genoemde data zijn opgebouwd is de eis van individuele actuariële gelijkwaardigheid, bedoeld in artikel 71, vierde lid, van toepassing, tenzij in de pensioenovereenkomst is overeengekomen dat de voorwaarden, bedoeld in het zesde lid van toepassing zijn.

9 Voor zover het bij de toepassing van het eerste lid pensioenaanspraken betreft die als gevolg van een premievrije voortzetting van die pensioenaanspraken worden opgebouwd is het zesde lid van toepassing indien het recht op die premievrije voortzetting is ontstaan op of na 1 januari 2002.

10 Voor de waardering van pensioenaanspraken en pensioenrechten wordt gebruikgemaakt van de vba-methode of van de standaardmethode.

11 Elk beding strijdig met dit artikel is nietig.

12 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel.

Consultatiedocument, p. 70-71:

6.2.3 Invaren bij pensioenfondsen
Sociale partners zullen in hun arbeidsvoorwaardelijk overleg een afspraak moeten maken over het al dan niet bij elkaar houden van reeds bestaande pensioenaanspraken en pensioenrechten en nieuw op te bouwen pensioenvermogen onder de nieuwe wet- en regelgeving per 1 januari 2026. Het woord “invaren” is veel gehanteerd maar is geen juridische term. Als wordt ingevaren zal de waarde van bestaande pensioenaanspraken en pensioenrechten via een interne collectieve waardeoverdracht worden ingebracht in de gewijzigde overeengekomen pensioenregeling. Zo blijven alle opgebouwde en nog te verwerven pensioenaanspraken en pensioenrechten bij elkaar in één pensioenregeling die door het pensioenfonds wordt uitgevoerd. Alle bestaande pensioenaanspraken en pensioenrechten worden vervolgens behandeld conform de regels van de gewijzigde pensioenregeling. De term invaren wordt hier gebruikt om weer te geven dat in voorliggend wetsvoorstel een tijdelijke en specifieke vormgeving wordt voorgesteld voor de reeds bestaande mogelijkheid van een interne collectieve waardeoverdracht, specifiek voor pensioenfondsen en specifiek voor de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel.

De voordelen van het invaren van de bestaande pensioenaanspraken en pensioenrechten voor zowel de pensioen- en aanspraakgerechtigden als voor het pensioenfonds zijn evident, zoals eerder ook beschreven in hoofdstuk 2 Doelstellingen:

  • Door het invaren van de bestaande pensioenaanspraken en -rechten zijn de voordelen van het nieuwe pensioenstelsel ook van toepassing op die aanspraken en rechten: het perspectief op een koopkrachtig pensioen verbetert, het is beter uitlegbaar, eerlijker en persoonlijker.
  • Het is eenvoudiger om op alle bestaande en nieuwe pensioenaanspraken en pensioenrechten dezelfde pensioenregeling toe te passen. Dit vermindert kosten en risico’s voor het pensioenbeheer, waardoor zoveel mogelijk euro’s ten goede komen aan het pensioen.
  • Voor de deelnemers is één pensioenregeling voor bestaande en nieuwe pensioenaanspraken en pensioenrechten inzichtelijker en beter uitlegbaar. Dit vergemakkelijkt de communicatie vanuit het pensioenfonds over de inhoud van de pensioenregeling en de ontwikkeling van de pensioenrechten en pensioenaanspraken.
  • Invaren voorkomt dat bij een toekomstige financiële schok twee verschillende toezichtkaders moeten worden toegepast. Het naast elkaar toepassen van beide toezichtkaders binnen één pensioenfonds zou leiden tot complexe en niet goed uit te leggen maatregelen.
  • Een schot tussen de bestaande en nieuwe pensioenaanspraken en pensioenrechten doorbreekt de risicodeling binnen een pensioenfonds. Positieve en negatieve schokken worden bij zo’n schot niet langer over alle (gewezen) deelnemers en pensioengerechtigden gedeeld, wat zowel voor het jongere als oudere deel van de populatie in situaties negatieve gevolgen kan hebben.

De mogelijkheid om bestaande pensioenaanspraken en pensioenrechten in te varen, biedt sociale partners [voetnoot 80: Afhankelijk van de specifieke situatie kan in plaats van sociale partners ook de werkgever of de beroepspensioenvereniging een verzoek om invaren doen.]  en pensioenfonds de mogelijkheid om bovengenoemde voordelen van de gewijzigde pensioenregeling direct en volledig te realiseren.

[…]

Consultatiedocument, p. 71:

6.2.3.1 Overgangsregime voor pensioenfondsen

Dit wetsvoorstel neemt – in het kader van de herziening van het pensioenstelsel en de overstap op dat nieuwe stelsel – specifiek voor pensioenfondsen tijdelijk belemmeringen weg om invaren te faciliteren. Het overgangsregime zal alleen voor pensioenfondsen van toepassing zijn en ook alleen gedurende de transitieperiode (2022-2026) voor het invaren van bestaande pensioenaanspraken en pensioenrechten door pensioenfondsen naar een gewijzigde pensioenregeling op grond van onderhavig wetsvoorstel.

Het overgangsregime heeft alleen betrekking op de interne collectieve waardeoverdracht. Hiermee worden voor de bestaande deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden hun bestaande pensioenaanspraken en pensioenrechten ingebracht in een gewijzigde pensioenregeling bij dat zelfde pensioenfonds, op basis van de waarborgen en voorwaarden die gelden bij het overgangsregime. Deze waarborgen betreffen regels omtrent de mogelijke aanwending van het aanwezige pensioenvermogen voor eventuele vulling van een solidariteitsreserve of compensatiedepot. Ook gelden er wettelijke omrekenmethodes bij invaren.

Voorgaande laat onverlet dat voorafgaand aan het invaren of na het invaren nog sprake kan zijn van consolidatie in de pensioenfondssector op basis van de bestaande artikelen 83 en 84 van de Pensioenwet. Pensioenfondsen kunnen dus voor of na invaren gebruik maken van de bestaande wet- en regelgeving inzake collectieve waardeoverdrachten bij collectieve waardeoverdrachten van of naar andere pensioenuitvoerders.

Een mogelijke belemmering voor het waarmaken van collectief invaren is het individuele bezwaarrecht bij een collectieve waardeoverdracht. Dit wordt uitvoerig toegelicht in het kader hierna.

In het overgangsregime wordt het individuele bezwaarrecht bij een interne collectieve waardeoverdracht naar een nieuwe pensioenregeling daarom niet opgenomen. Wel worden in dit wetsvoorstel waarborgen geïntroduceerd om alle belangen evenwichtig te behartigen, zoals een wettelijk vastgelegd hoorrecht voor verenigingen van pensioengerechtigden en gewezen deelnemers in de arbeidsvoorwaardelijke fase.

[…]

Consultatiedocument, p. 71-73:

Individueel bezwaarrecht als belemmering bij collectief invaren
Een wijziging van de collectieve pensioenovereenkomst (pensioenregeling) heeft in beginsel geen gevolgen voor de pensioenrechten en pensioenaanspraken die voorafgaand aan die wijziging zijn verworven. De wijziging werkt dan alleen naar de toekomst. Dat ligt voor de hand bij bijvoorbeeld een verlaging van het opbouwpercentage of de pensioenpremie of een verhoging van de pensioenleeftijd. Dergelijke aanpassingen dienen geen ‘terugwerkende kracht’ te hebben.

De Pensioenwet maakt het echter mogelijk om de regels van de gewijzigde pensioenregeling ook toe te passen op de pensioenaanspraken en pensioenrechten die onder de oude pensioenregeling zijn opgebouwd indien de waarde van de bestaande pensioenaanspraken en pensioenrechten via een collectieve waardeoverdracht worden ingebracht in de gewijzigde pensioenregeling. Het pensioenfonds kan op verzoek van de werkgever overgaan tot een dergelijke collectieve waardeoverdracht. Sociale partners bepalen samen of zij de waarde van de bestaande pensioenaanspraken en pensioenrechten collectief voor de fondspopulatie willen inbrengen in de gewijzigde pensioenovereenkomst en wanneer zij dat verzoek willen doen. Deze collectieve waardeoverdracht voorkomt de splitsing in het deelnemersbestand en houdt risicodeling daarmee optimaal in stand.

Op grond van de huidige wettelijke systematiek van artikel 83 van de Pensioenwet geldt dat iedere pensioen- of aanspraakgerechtigde bij het voornemen van een collectieve waardeoverdracht in de gelegenheid moet worden gesteld om daartegen bezwaar te maken. Een dergelijk bezwaar hoeft niet gemotiveerd te worden. Voor eenieder die bezwaar heeft gemaakt geldt dat de collectieve waardeoverdracht ten aanzien van zijn of haar individuele pensioenaanspraken of pensioenrechten geen doorgang vindt. De pensioenaanspraken of pensioenrechten van de personen die geen bezwaar maken, worden wel overgedragen naar de gewijzigde pensioenregeling. Ook in dit geval ontstaat zodoende een splitsing in het deelnemersbestand tussen personen op wie de gewijzigde pensioenregeling wel wordt toegepast en de personen bij wie – door bezwaar te maken –op de ‘oude’ pensioenaanspraken en pensioenrechten de eerdere regels van toepassing blijven. In de rechtspraak wordt hierop wel een uitzondering gemaakt als het belang van de bezwaarmakers ten opzichte van het belang van de werkgever (en/of de groep) bij een interne collectieve waardeoverdracht maakt dat in redelijkheid niet gevergd kan worden van de werkgever om twee pensioenregelingen naast elkaar in stand te houden. Het staat echter op voorhand niet vast hoe de rechter de betrokken belangen afweegt.

Voor het realiseren van invaren is het individueel bezwaarrecht van deelnemers, gewezen deelnemers, gewezen partners en pensioengerechtigden een potentiële belemmering. Het valt immers niet uit te sluiten dat een deel van de pensioen- en aanspraakgerechtigden bezwaar maakt. Het individueel bezwaar van enkelen of een kleine groep individuen kan de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel bemoeilijken, met voor het pensioenfonds en dus het collectief aan pensioen- en aanspraakgerechtigden, grote gevolgen.

Na de transitie zouden in die situatie binnen een pensioenfonds twee pensioenregelingen worden uitgevoerd: een (gesloten) uitkeringsovereenkomst en een premieregeling. Dit leidt tot complexiteit in de uitvoering en daarmee gepaard gaande hogere uitvoeringskosten. Ook zal er een afzonderlijk beleggingsbeleid voor twee pensioenregelingen moeten worden uitgevoerd dat ook tot complexiteit en hogere uitvoeringskosten zal leiden. De mogelijkheid om mee- en tegenvallers te delen wordt ook beperkt door de knip tussen de twee pensioenregelingen voor degenen die bezwaar maken. Ten slotte, omdat een pensioenfonds één financieel geheel vormt, ontstaat het reële risico van onwenselijke en onnodige herverdeling van de pensioenwaarde en kruissubsidiëring tussen de twee pensioenregelingen. Immers een tekort in één pensioenregeling moet uiteindelijk worden aangezuiverd met een eventueel overschot in de andere pensioenregeling. De belangrijkste reden om in te varen is echter dat voor de meeste belanghebbenden dit kans op een koopkrachtiger pensioen biedt en het nieuwe stelsel beter uitlegbaar en eerlijker is.

Naar het oordeel van de regering en werkgevers- en werknemersorganisaties wegen de voordelen van de beoogde transitie naar een nieuw pensioenstelsel zwaarder dan de individuele bezwaarmogelijkheid bij invaren. Met dit wetsvoorstel wordt daarom voorgesteld om het individuele bewaarrecht voor deze transitie opzij te zetten. Wel worden er aanvullende waarborgen geïntroduceerd om de belangen van pensioen- en aanspraakgerechtigden bij de besluitvorming te waarborgen. Collectieve vertegenwoordiging door sociale partners, of de werkgever, in samenspraak met het pensioenfonds, biedt dan goede waarborgen voor het vervallen van het individuele bezwaarrecht. Mocht een individu overigens van mening zijn dat hij een onevenredig zwaar nadeel ondervindt van de omzetting, dan staat uiteraard de gang naar de rechter voor hem open.

Het overgangsregime geldt niet voor verzekeraars en premiepensioeninstellingen. Voor hen blijft de bestaande wettelijke mogelijkheid van een interne of externe collectieve waardeoverdracht ongewijzigd bestaan. Daarvoor zijn meerdere redenen te geven. Zo geldt voor verzekeraars en premiepensioeninstellingen geen eis van één financieel geheel en is risicodeling tussen deelnemers onderling geen belangrijk aspect van de bij deze uitvoerders ondergebrachte pensioenregelingen. Ook gelden er bij pensioenfondsen medezeggenschapsvereisten die ontbreken bij verzekeraars en premiepensioeninstellingen. Bovendien krijgen de medezeggenschapsorganen in het overgangsregime een expliciete rol en taak bij de beoordeling van de evenwichtige belangenafweging door een pensioenfonds. Verzekeraars en premiepensioeninstellingen hebben geen medezeggenschapsorganen waardoor belanghebbenden invloed kunnen uitoefenen op de besluitvorming. Voor pensioenfondsen die een collectieve waardeoverdracht gaan uitvoeren die niet gerelateerd is aan het overgangsregime, blijft het bestaande wettelijke kader voor collectieve waardeoverdrachten onverkort van toepassing.

[…]

Consultatiedocument, p. 75-80:

Bij invaren moet primair worden vastgesteld wat de waarde is van de bestaande pensioenaanspraken en pensioenrechten. Die waarde wordt voor iedere (gewezen) deelnemer en andere aanspraakgerechtigde (binnen het pensioenfonds) overgebracht naar de gewijzigde pensioenregeling. Ook voor de pensioengerechtigden wordt de waarde van de ingegane pensioenuitkeringen vastgesteld, overgebracht naar de gewijzigde pensioenregeling en nieuwe toekomstige uitkeringen worden dan gedaan vanuit de gewijzigde pensioenregeling.
Bij invaren kan er onder voorwaarden voor gekozen worden een deel van het vermogen aan te wenden om de solidariteitsreserve in de nieuwe pensioenregeling te vullen. Ook is het mogelijk om een beperkt deel van het vermogen aan te wenden voor compensatie van transitie-effecten, zie hiervoor paragraaf 6.2.4.

Bij invaren naar een gewijzigde pensioenregeling wordt het collectieve fondsvermogen volledig gebruikt voor:

  1. de persoonlijke pensioenvermogens van deelnemers, gewezen deelnemers, pensioengerechtigden en andere aanspraakgerechtigden (hierna kort aangeduid met: alle deelnemers); het eigen vermogen ten behoeve van het minimaal vereist eigen vermogen;
  1. eventuele initiële vulling van een solidariteitsreserve;
  2. eventuele vulling van een compensatiedepot.

Omrekenmethodes bij invaren
Bij het omrekenen van de bestaande pensioenaanspraken en pensioenrechten uit een uitkeringsovereenkomst naar persoonlijke pensioenvermogens in het nieuwe contract of de verbeterde premieregeling staan pensioenfondsen twee methoden ter beschikking, namelijk de zogenoemde ‘value based ALM’ (hierna: vba-methode) en de ‘standaardmethode’.

1. Vba-methode
In deze waarderingsmethode wordt de inclusieve marktwaarde van bestaande pensioenaanspraken en pensioenrechten bepaald met de value based ALM-methodiek (inclusief waarderen, zie toelichting in paragraaf 6.2.4). [voetnoot 85: In een uitkeringsovereenkomst worden pensioenrechten en aanspraken verhoogd als een pensioenfonds er financieel goed voorstaat en verlaagd als het slecht gaat. De uiteindelijke pensioenuitkering hangt dus ook af van onzekere toekomstige toeslagen en kortingen. De ‘inclusieve marktwaarde’ houdt rekening met de waarde van deze voorwaardelijke elementen en wordt bepaald met de value-based ALM-techniek. Hiervoor is een specifieke set economische scenario’s nodig (de zogenoemde Q-set) waarmee kasstromen, van uitkeringen en premies, worden gewaardeerd consistent met de waardering op financiële markten op dat moment.] In de vba-methode wordt voor een groot aantal marktconsistente scenario’s vastgesteld wat de hoogte van uitkeringen is en verdisconteerd naar een inclusieve marktwaarde. Op deze manier wordt nauwkeurig aangesloten op het huidige financieel toetsingskader en de specifieke kenmerken en beleid van het pensioenfonds en de pensioenregeling. Het betreft een nauwkeurige waarderingsmethode, maar is wel bewerkelijker in de uitvoering en minder makkelijk uitlegbaar dan de standaardmethode (die hierna onder 2 wordt toegelicht).

De persoonlijke pensioenvermogens worden in de vba-methode vastgesteld, zodanig dat voor alle deelnemers de inclusieve marktwaarde van de persoonlijke vermogens in de nieuwe pensioenregeling, inclusief effecten van de solidariteitsreserve, groter of gelijk is aan de inclusieve marktwaarde van de bestaande pensioenaanspraken en pensioenrechten in het huidige financieel toetsingskader.

Binnen de vba-methode kan een deel van het aanwezig vermogen gericht worden toegedeeld om de transitie meer evenwichtig vorm te geven. Fondsbesturen en sociale partners hebben hiermee extra ruimte om de transitie in hun situatie evenwichtig vorm te geven. De vba-methode is daarbij gericht op het bereiken van een evenwichtige uitkomst in termen van netto profijt, maar er kan ook op basis van additionele aspecten worden onderbouwd dat sprake is van een evenwichtig vormgegeven transitie. In het nieuwe contract is de inclusieve marktwaarde van de initiële vermogens altijd hoger dan in het huidige financieel toetsingskader. Dit komt doordat het nieuwe contract minder buffervorming kent dan het huidige financieel toetsingskader. Door deze toename van de marktwaarde is er ruimte om een deel van het vermogen gericht toe te delen bij invaren. Dit wordt toegelicht in paragraaf 6.2.4. Dit deel van het aanwezig vermogen kan worden gebruikt voor gerichte toedeling via het direct verhogen van individuele pensioenvermogens danwel voor compensatie door het vormen van een compensatiedepot waaruit geleidelijk compensatie wordt verleend.

Voor het toepassen van de vba-methode zijn veronderstellingen nodig over toekomstige rentes en rendementen alsook de keuzes van het pensioenfonds over bijvoorbeeld het beleggingsbeleid en herstelmaatregelen. Om grote onbedoelde verschillen in uitkomsten tussen pensioenfondsen te voorkomen, worden de te gebruiken veronderstellingen voorgeschreven of ingekaderd. Zie hiervoor de bijlage bij dit hoofdstuk uitgangspunten projecties transitie.

2. Standaardmethode
De standaardmethode gebruikt een vereenvoudiging van de regels uit het financieel toetsingskader om het fondsvermogen toe te delen en geeft een benadering van de marktwaarde van de bestaande pensioenaanspraken en pensioenrechten in de huidige uitkeringsovereenkomst. Met deze methode wordt het pensioenvermogen op een eenvoudige, transparante en uitlegbare manier verdeeld over de aanwezige deelnemers. [voetnoot 86: Inclusief gewezen deelnemers, pensioengerechtigden en andere aanspraakgerechtigden.] Het uitgangspunt is de dekkingsgraad op het moment van invaren en verder zijn geen fondsspecifieke veronderstellingen nodig. De methode is daarmee goed uitvoerbaar door pensioenfondsen.

In deze waarderingsmethode wordt het aanwezig fondsvermogen eveneens toebedeeld aan de voor het pensioen gereserveerde vermogens. Een eventueel tekort (of overschot) wordt verdeeld door een fictieve korting (of opslag) vast te stellen die binnen het huidig financieel toetsingskader gedurende 10 jaar zou worden toegepast. Voor pensioenaanspraken die pas na 10 jaar of langer tot uitkering komen wordt aldus verondersteld dat een volledige fictieve korting (of verhoging) zou worden toegepast en voor eerder ingaande of lopende uitkeringen wordt verondersteld dat een korting (of verhoging) gespreid zou worden toegepast en aldus minder effect heeft. Op deze manier wordt er bij de omrekening van de bestaande pensioenaanspraken en pensioenrechten naar persoonlijke pensioenvermogens rekening mee gehouden dat kortingen of toeslagen worden gespreid in het huidig financieel toetsingskader. In de volgende subparagraaf wordt toegelicht hoe de variabele pensioenuitkeringen ná de transitie worden vastgesteld uitgaande van het persoonlijk vermogen.

De standaardmethode voor bepaling van de persoonlijke pensioenvermogens wordt toegepast op het collectieve fondsvermogen verminderd met, een eigen vermogen ten behoeve van het minimaal vereist eigen vermogen, een eventuele initiële vulling van een solidariteitsreserve en een eventuele vulling van een compensatiedepot (zie paragraaf 6.2.4 voor de hierbij gestelde voorwaarden).

De standaardmethode is net als de vba-methode toelaatbaar, mits het fondsbestuur onderbouwt dat sprake is van een evenwichtige gehele transitie waarbij de uitkomsten in termen van netto profijt uitlegbaar zijn in het licht van de doelen van het pensioenakkoord. Het fonds kan bij de verantwoording van de uitkomsten in termen van netto of bruto profijt ten behoeve van de evenwichtigheid van de gehele transitie (waaronder de gekozen manier van invaren) ook additionele analyses meenemen, zoals vervangingsratio’s, de ontwikkeling van reeds ingegane uitkeringen, een analyse van verwachte pensioenen volgens de URM of andere overwegingen, bijvoorbeeld buiten het arbeidsvoorwaardelijke pensioen. Deze additionele analyses kunnen valide argumenten vormen om de transitie als geheel als evenwichtig te beschouwen.

3. Variabele pensioenuitkeringen ná transitie
Na invaren in het nieuwe contract of de verbeterde premieregeling kan sprake zijn van variabele uitkeringen voor pensioengerechtigden. Er kunnen bij het omzetten/waarderen door het pensioenfonds verschillende keuzes worden gemaakt om het effect op de lopende pensioenuitkeringen te spreiden of te beperken. Het is van belang dat het pensioenfonds hierover inzicht geeft aan sociale partners:

  • Door spreiding toe te passen kan een overschot of tekort gespreid worden vertaald in aanpassingen van de uitkeringen. [voetnoot 87: Er is hierbij sprake van zogenoemd ‘gesloten’ spreiden, zie paragraaf 3.3.3.] Aldus kan de uitkering op moment van invaren gelijk blijven, waarna de uitkering in een periode van maximaal 10 jaar in gelijke stappen wordt aangepast aan het tekort/overschot. Dit is mogelijk in zowel het nieuwe contract als in de verbeterde premieregeling (ongeacht of sprake is van individuele of collectieve risicodeling). Zie hiervoor paragraaf 3.3.c (spreiding van overrendementen).
  • Door een projectierendement toe te passen kunnen de pensioenuitkeringen in het nieuwe contract desgewenst bij aanvang hoger worden vastgesteld. Het gaat hierbij om het naar voren halen van verwachte toekomstige stijgingen van de pensioenuitkering. Zie hiervoor paragraaf 3.2.b (projectierendement). Voor variabele uitkeringen in een verbeterde premieregeling kan op vergelijkbare wijze worden uitgegaan van een vaste daling.

6.2.3.2a Uitgangspunten en veronderstellingen vba-invaarmethode en vaststelling netto profijt
Voor het toepassen van de vba-invaarmethode en het berekenen van het netto profijt worden value based ALM berekeningen gemaakt waarin veronderstellingen voor toekomstige ontwikkelingen nodig zijn. Voor deze berekeningen worden immers scenario’s doorgerekend en zijn aldus veronderstellingen nodig over toekomstige rentes en rendementen en ontwikkelingen in het deelnemersbestand (sterfte, uittredingskansen, kans op arbeidsongeschiktheid, het aantal deelnemers met een partner, ed.). Ook wordt er hierbij rekening gehouden met keuzes van het fonds voor bijvoorbeeld het beleggingsbeleid, herstelmaatregelen, e.d. in het huidige en het nieuwe pensioencontract.

Onderstaand wordt eerst toegelicht welke analyses nodig zijn voor toepassing van de vba-methode bij invaren en voor het berekenen van het netto profijt. Vervolgens wordt omschreven welke uitgangspunten en veronderstellingen hierbij een rol spelen en of (en zo ja hoe) deze worden voorgeschreven of ingekaderd.

Uitgangspunten vba-invaarmethode
Deze omrekenmethode om pensioenen in te varen in een van de nieuwe premieregelingen bestaat uit twee stappen:

  1. Als eerste stap wordt de inclusieve marktwaarde van de bestaande pensioenaanspraken en pensioenrechten (hierna: huidige pensioenen) vastgesteld binnen de huidige pensioenregeling en het huidige financieel toetsingskader. Omdat hierbij rekening wordt gehouden met eventuele toekomstige indexaties en verlagingen, kan deze inclusieve marktwaarde hoger of lager uitkomen dan de technische voorziening voor huidige pensioenen zoals die vastgesteld moet worden volgens artikel 126 van de Pensioenwet. Ook komt een deel van het aanwezig vermogen ten gunste van toekomstige pensioenopbouw (zie de box in paragraaf 6.2.4). Hierbij wordt uitgegaan van de huidige situatie met (doorsnee) pensioenopbouw in het huidige pensioencontract en toepassing van de huidige premiesystematiek.
  2. Als tweede stap wordt de inclusieve marktwaarde van (te verwachten) pensioenuitkeringen ná invaren in een van de nieuwe pensioenregelingen bepaald. Hierbij wordt ook alleen naar de waarde van de huidige pensioenopbouw bij invaren gekeken, uitgaande van het nieuwe contract waarin opbouw plaatsvindt en waarin de huidige opbouw wordt verhoogd of verlaagd volgens de systematiek in de nieuwe pensioenovereenkomst (inclusief verdeelregels, effect van de solidariteitsreserve en eventuele compensatie. Dat kan het nieuwe contract zijn of een verbeterde premieregeling al dan niet met collectieve elementen.

Een belangrijke randvoorwaarde hierbij is dat de inclusieve marktwaarde van het individueel pensioenvermogen bij invaren, inclusief effect van de solidariteitsreserve, exclusief compensatiedepot, tenminste gelijk is aan de inclusieve marktwaarde van huidige pensioenen in het huidige pensioencontract.

Sociale partners en het fondsbestuur hebben dus beleidsruimte om een deel van het aanwezig vermogen bij invaren buiten de individuele pensioenvermogens te houden en in de solidariteits- reserve te storten of via een compensatiedepot (geleidelijk) in te zetten voor gerichte compensatie, mits wordt voldaan aan bovengenoemde voorwaarde en mits kan worden onderbouwd dat sprake is van evenwichtigheid van de gehele transitie.

Om de inclusieve marktwaarde te bepalen, worden uitkeringsstromen binnen een groot aantal economische scenario’s bepaald en verdisconteerd naar het moment van invaren, alleen voor het deel dat is gerelateerd aan de huidige opbouw tot het moment van invaren. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een value based ALM doorrekening en een zogenoemde risicogecorrigeerdeeconomische scenario’s (Q-set).

Uitgangspunten netto profijt
Om de effecten van de gehele transitie in kaart te brengen wordt:

  1. het netto profijt van de situatie dat de pensioenovereenkomst die is overeengekomen voor de overstap ongewijzigd wordt voortgezet binnen het huidige financieel toetsingskader, afgezet tegen
  2. het netto profijt van de situatie dat wordt overgestapt naar het nieuwe pensioenstelsel.

Het netto profijt is het verschil tussen de marktwaarde van de te verwachten pensioenuitkeringen en de marktwaarde van de toekomstige premie-inleg. Door het netto profijt in deze twee situaties te berekenen en te vergelijken, worden effecten die optreden tussen leeftijdscohorten en deelnemersgroepen door de transitie in kaart gebracht. Er wordt voor het berekenen van het netto profijt gebruik gemaakt van (inclusieve) marktwaarden, vastgesteld op basis van value based ALM.

De transitie wordt beoordeeld op basis van netto profijt, tenzij

  1. het gaat om een transitie waarbij er voorafgaand aan de overstap sprake is van een premie- of kapitaalovereenkomst en er wordt overgestapt op een premieregeling (zonder solidariteitsreserve) met een leeftijdsonafhankelijke premie voor alle deelnemers, of
  2. wanneer sprake is van een premie- of kapitaalovereenkomst en eerbiedigende werking.

In het eerste geval wordt de transitie beoordeeld op basis van bruto profijt (zie paragraaf 6.2.6). In het tweede geval hoeven geen transitiegrootheden te worden bepaald (zie hoofdstuk 14 Overgangsrecht).

Er wordt voor het berekenen van het netto profijt gebruik gemaakt van te verwachten pensioenuitkeringen en van toekomstige premie-inleg. Ten aanzien van de te verwachten pensioenuitkeringen gaat het om de pensioenen die zijn opgebouwd tot moment van invaren, vermeerderd met de pensioenen die nog opgebouwd worden gedurende de actieve (of arbeidsongeschikte) deelnemerstijd bij de pensioenuitvoerder. Een verschil met de inclusieve marktwaarde van de opgebouwde pensioenen (stap 1 in de vba-invaarmethode) is dus dat voor netto profijt ook naar het nog op te bouwen pensioen wordt gekeken. Oftewel, naar de gehele deelnemerstijd tot pensioeningang. Voor inclusieve waardering van huidige pensioenen wordt alleen naar de huidige pensioenopbouw gekeken. Met netto profijt wordt dus de transitie als geheel beoordeeld, dat wil zeggen inclusief invaren (inclusief invaarmethode: vba-invaarmethode dan wel de standaardmethode, en inclusief andere keuzes die bij invaren worden gemaakt) en inclusief afspraken over compensatie van transitie effecten.

Om de verwachte pensioenuitkeringen op pensioendatum te bepalen, dient er rekening gehouden te worden met grotendeels dezelfde veronderstellingen als voor de vba-invaarmethode, zoals economische veronderstellingen, uittredingskansen, financieel beleid e.d. Deze uitgangspunten en veronderstellingen worden nader uitgewerkt in lagere regelgeving en op hoofdlijnen toegelicht in de volgende paragraaf.

Veronderstellingen
Zowel voor de vaststelling van marktwaarden in de vba-invaarmethode als voor netto profijt worden de uitkeringen in de pensioenregeling voor de transitie en de pensioenregeling na de transitie doorgerekend op basis van een groot aantal toekomstscenario’s. Hierbij spelen verschillende typen veronderstellingen een rol. Om grote onbedoelde verschillen in uitkomsten te voorkomen, wordt een deel van de te gebruiken veronderstellingen voorgeschreven of ingekaderd in lagere regelgeving:

  • Economische veronderstellingen
    Dat wil zeggen realistische economische scenario’s voor toekomstige projecties (P-set) en risicogecorrigeerde economische scenario’s die gebruikt kunnen worden voor marktconsistente waardering (Q-set). Het gaat hierbij om scenario’s die voor alle pensioenuitvoerders en alle type pensioenregelingen hetzelfde zijn en nu ook consistent worden voorgeschreven voor bijvoorbeeld de uniforme rekenmethodiek (URM) voor communicatie van pensioenen in scenario’s en de haalbaarheidstoets.Voor toekomstige projecties in het kader van de transitie wordt door pensioenfondsen uitgegaan van dezelfde economische scenario’s als die nu al zijn voorgeschreven in het huidige financieel toetsingskader. De scenarioset (P-set) wordt hiertoe ieder kwartaal vastgesteld en gepubliceerd door DNB.
    Specifiek voor het vaststellen van marktwaarden in de transitie, zoals voor de toepassing van de vba-invaarmethode en vaststelling van netto profijt effecten, zal gedurende de transitieperiode ook een risicogecorrigeerde scenarioset (Q-set) worden vastgesteld en op kwartaalbasis worden gepubliceerd door DNB.
  • Algemene, niet fondsspecifieke, veronderstellingen
    Dat wil zeggen veronderstellingen in de methodiek die in beginsel voor alle pensioenfondsen hetzelfde zijn. Hierbij kan gedacht worden aan de omschrijving van de vba-invaarmethodiek en de maatstaven netto en bruto profijt die wordt vastgelegd in lagere regelgeving. Maar ook aan vaststelling van de peildatum voor transitieberekeningen en van welke algemene parameters moet worden uitgegaan voor huidige pensioenregelingen in het huidig financieel toetsingskader of vormgeving van nieuwe pensioenregelingen.Specifiek kan hierbij gedacht worden aan regels voor vaststelling van de toekomstige (kostendekkende) premie in huidige pensioenregelingen en voor toepassing van fiscale randvoorwaarden zoals ten aanzien van maximale indexatie in huidige pensioenregelingen, de mogelijkheid van bijstorting, e.d. in de analyses.
  • Fondsspecifieke veronderstellingen voor toekomstige ontwikkeling van vermogen en verplichtingen
    Zoals het financiële beleid van het pensioenfonds, de verwachte ontwikkelingen in het deelnemersbestand en de vormgeving van de pensioenovereenkomst van het pensioenfonds. Hiervoor moet worden uitgegaan van realistische uitgangspunten, zoals de vormgeving van de huidige en nieuwe pensioenregeling, het vastgelegde beleid van het pensioenfonds in de huidige en nieuwe pensioenregeling en realistische veronderstelling voor toe- en uittreding van deelnemers en keuzes die deelnemers maken bij keuzemogelijkheden in een pensioenregeling.

Voor deze veronderstellingen wordt, net als voor de huidige haalbaarheidstoets en herstelplannen, aangesloten op het vastgelegde beleid en de pensioenregeling. Waar mogelijk tevens op de grondslagen van het pensioenfonds. Hiermee wordt aangesloten op de specifieke situatie van het pensioenfonds en worden de meeste veronderstellingen ingekaderd op vastgesteld beleid en pensioenregeling. Slechts voor een beperkt aantal veronderstellingen, zoals individuele salarisontwikkeling en ontslagkansen en beleid in bijzonder slechte/goede scenario’s, is hiermee nog ruimte voor het pensioenfonds om specifiek voor de transitie eigen, passende veronderstelling te maken.

Dit betekent dus ook dat de vereiste analyses van transitie-effecten en evenwichtigheid pas kunnen worden gemaakt als er de vormgeving van de nieuwe pensioenregeling (inclusief premiehoogte, verdeelregels en regels voor vullen/legen van de solidariteitsreserve) en het hierin gevoerde financiële beleid zijn vastgelegd.

[…]

Consultatiedocument, p. 84-86:

c. Interne medezeggenschap en reflectiemoment
De belangen van de belanghebbenden worden geborgd door een verplichte adviesaanvraag aan het verantwoordingsorgaan of – bij een onafhankelijk of gemengd bestuur – een goedkeuringsrecht van het belanghebbendenorgaan. In de adviesaanvraag licht het pensioenfonds toe welke belangenafweging aan de collectieve waardeoverdracht ten grondslag ligt. Bij een verzoek tot advies wordt een overzicht verstrekt van de beweegredenen voor het besluit en van de gevolgen die het besluit naar verwachting voor de deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden zal hebben. Hiermee wordt voor verschillende groepen binnen het pensioenfonds kwantitatief inzichtelijk gemaakt wat de gevolgen van de collectieve waardeoverdracht zijn. Om een oordeel te kunnen geven over het voorgenomen besluit tot collectief invaren van het pensioenfonds, moeten de stukken die worden overgelegd voldoende inzicht bieden in het besluitvormingsproces, de cijfermatige effecten van collectief invaren en een motivering bevatten waarom eventuele effecten van collectief invaren evenwichtig worden geacht.

Een negatief advies van het verantwoordingsorgaan is aanleiding voor een heroverweging van de werkgever of sociale partners van het voornemen tot een collectieve waardeoverdracht. Als de heroverweging niet tot intrekking van het verzoek leidt en het fondsbestuur de collectieve waardeoverdracht ondanks dit negatief advies doorzet, kan het medezeggenschapsorgaan hiertegen beroep instellen bij de Ondernemingskamer. De Ondernemingskamer toetst of het bestuur in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. [voetnoot 97: Vergelijk artikel 217, van de Pensioenwet.]

Het is evenwel ook denkbaar dat de verschillende geledingen binnen het medezeggenschaps-orgaan verschillend oordelen over het besluit tot invaren. Specifiek ten aanzien van de positie van een groep belanghebbenden geldt dat als een geleding van het verantwoordingsorgaan negatief staat tegenover het voorgenomen besluit, terwijl het besluit van de meerderheid van dit orgaan een positief advies krijgt, het pensioenfonds ook dan de werkgever of sociale partners vraagt hun verzoek tot invaren te heroverwegen.

d. De toezichthouder

Net als bij een reguliere collectieve waardeoverdracht krijgt DNB een verbodsbevoegdheid. Een pensioenuitvoerder dient een voornemen tot een collectieve waardeoverdracht ter toetsing voor te leggen aan de toezichthouder. DNB zal een dergelijke collectieve waardeoverdracht enerzijds beoordelen op de zorgvuldigheid en de transparantie van het besluitvormingsproces. Het gaat daarbij om de vragen of de pensioenuitvoerder de gevolgen van collectief invaren voor belanghebbenden en voor generaties (de herverdelingseffecten) voldoende inzichtelijk heeft gemaakt. Naast deze meer procedurele toets, kijkt DNB ook naar de financiële effecten van het collectief invaren van de opgebouwde rechten. In dit verband zullen pensioenfondsen moeten kunnen onderbouwen op welke wijze is voldaan aan de verplichting tot evenwichtige belangenbehartiging en hoe wordt voorkomen dat het invaren voor (groepen) deelnemers disproportionele effecten heeft. DNB toetst ook op beheerste en integer bedrijfsvoering en of de transitie beheerst en integer kan worden uitgevoerd.
DNB toetst de collectieve waardeoverdracht ook aan de reguliere wettelijke voorwaarden voor een collectieve waardeoverdracht, waaronder de collectieve actuariële neutraliteit. Verder moet worden voldaan aan het vereiste dat de overdrachtswaarde dusdanig moet worden aangewend dat het te verwerven pensioen voor mannen en vrouwen gelijk is. Op totaalniveau geldt dat de waarde van pensioenen in brede zin (rekening houdend met indexatie en kortingsbevoegdheid) gelijk is aan het aanwezige pensioenvermogen. De totale waarde van de pensioenen blijft bij invaren dus gelijk. Hiermee wordt voldaan aan het criterium van sekseneutraliteit en aan de collectieve actuariële gelijkwaardigheid.
Het verbod van DNB geldt voor onbeperkte tijd. Het pensioenfonds kan hiertegen bezwaar maken en vervolgens beroep instellen bij de rechter.

e. Geschillenbeslechting

Zowel het verantwoordingsorgaan als het individu hebben een effectieve toegang tot de rechter. Het verantwoordingsorgaan kan indien het bestuur afwijkt van een negatief advies beroep instellen bij de Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam. De Ondernemingskamer toetst of het bestuur in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.

Het individu heeft de mogelijkheid om naar de civiele rechter te gaan als hij van oordeel is dat het invaren van zijn pensioenen voor hem een onevenredig zwaar voor hem uitpakt.

[…]

Consultatiedocument, p. 145:

2. Handeling: verzoek tot waardeoverdracht door werkgever of sociale partners
Bij de overgang naar nieuw pensioencontract doen werkgevers met een eigen pensioenregeling een verzoek tot collectieve waardeoverdracht (invaren), tenzij dit onevenredig nadelig is voor belanghebbenden. In dat geval moet de werkgever dit uitgebreid motiveren. Dit standaardinvaarpad is toegelicht in hoofdstuk 6 Waarborgen voor evenwichtige transitie. Onderdeel van het standaard invaarpad is een hoorrecht voor de deelnemers, gewezen deelnemers, gepensioneerden en andere pensioengerechtigden. Hiervoor moet de werkgever betrokkenen inzicht bieden in de beweegredenen voor het besluit tot invaren en van de verwachte gevolgen daarvan.

[…]

Consultatiedocument, p. 189-191:

Artikel 150m Pensioenwet en artikel 145l Wvb (Interne collectieve waardeoverdracht pensioenfondsen bij transitie)

In het voorgestelde artikel 150m van de Pensioenwet en artikel 145l Wvb is de regeling opgenomen voor de interne collectieve waardeoverdracht bij pensioenfondsen in het kader van de transitie waar dit hoofdstuk betrekking op heeft.

In het eerste lid is de bevoegdheid van het pensioenfonds opgenomen om op verzoek van de werkgever over te gaan tot interne collectieve waardeoverdracht na een collectieve wijziging van de pensioenovereenkomsten. De waardeoverdracht heeft dan tot doel de waarde aan te wenden overeenkomstig de gewijzigde pensioenovereenkomsten bij hetzelfde pensioenfonds. Dit artikel heeft alleen betrekking op deze waardeoverdrachten gedurende de transitie. Voor andere vormen van collectieve waardeoverdracht en voor andere pensioenuitvoerders blijven de artikelen 83 en 84 van de Pensioenwet en de artikelen 91 en 92 Wvb van toepassing.

Op grond van het tweede lid meldt het pensioenfonds onverwijld nadat het besluit tot invaren is genomen maar uiterlijk zes maanden voor de beoogde datum van de waardeoverdracht het voornemen daartoe aan DNB, de toezichthouder bij waardeoverdrachten. Deze termijn is langer dan de termijn van drie maanden die gebruikelijk is voor deze waardeoverdrachten. De meldingstermijn is verlengd omdat er naar verwachting in een relatief korte tijd een relatief groot aantal meldingen zal komen waardoor de doorlooptijd langer dan gebruikelijk zal zijn. DNB is wel al eerder op de hoogte van de invaarplannen. Op grond van het voorgestelde artikel 150c dan wel 145b moet de pensioenuitvoerder immers het implementatieplan, waarin ook de voornemens omtrent invaren zijn opgenomen, uiterlijk 1 juli 2024 aan DNB sturen. DNB heeft verder de mogelijkheid om de termijn gemotiveerd te verlengen met maximaal twee maal drie maanden. Dit betreft dan een verlenging omdat in individuele gevallen meer tijd nodig is.

Op grond van het derde lid wordt het verantwoordingsorgaan in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen over de voorgenomen waardeoverdracht. Artikel 115a, vijfde en zesde lid, artikel 115e en artikel 217 van de Pensioenwet en de artikelen 110e, vijfde, zesde en zevende lid, en 211a Wvb zijn van overeenkomstige toepassing. Dit betekent dat:
– het advies wordt gevraagd op een zodanig tijdstip dat het van wezenlijke invloed kan zijn op het besluit;
– dat bij het vragen van advies een overzicht wordt verstrekt van de beweegredenen voor het voorgenomen besluit en van de gevolgen die het zal hebben voor deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden;
– het pensioenfonds het verantwoordingsorgaan zo spoedig mogelijk meedeelt of het een advies niet of niet geheel volgt, waarbij tevens wordt meegedeeld waarom van het advies of van een daarin vervat minderheidsadvies wordt afgeweken; en
– dat het verantwoordingsorgaan beroep kan instellen bij de ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam op de in artikel 217, eerste lid, van de Pensioenwet of 211a Wvb genoemde gronden.

Op grond van het vierde lid moet de werkgever het verzoek tot invaren heroverwegen indien het verantwoordingsorgaan of een geleding binnen het verantwoordingsorgaan negatief heeft geadviseerd. Hiervan is dus ook sprake als het verantwoordingsorgaan positief heeft geadviseerd maar alleen de geleding van pensioengerechtigden een negatief minderheidsstandpunt heeft ingenomen. De werkgever moet bij die heroverweging het negatieve advies beoordelen en wegen en onderbouwen waarom er wel of niet van afgeweken wordt. Het verantwoordingsorgaan wordt hierover natuurlijk geïnformeerd.

Op grond van het vijfde lid heeft het pensioenfonds de goedkeuring nodig van het belanghebbendenorgaan voor het voorgenomen besluit om over te gaan tot een collectieve waardeoverdracht. Hierbij is artikel 115c, vijfde, achtste, negende en tiende lid, van de Pensioenwet van overeenkomstige toepassing. Dit betekent dat:
– een overzicht wordt verstrekt voor de beweegredenen en de gevolgen van het voorgenomen besluit;
– de regeling in de statuten voorziet in een regeling voor geschillen over goedkeuring van besluiten door het belanghebbendenorgaan;
– de goedkeuring niet wordt onthouden dan nadat het bestuur in de gelegenheid is gesteld het besluit te heroverwegen;
– het ontbreken van de goedkeuring van het belanghebbendenorgaan de vertegenwoordigingsbevoegdheid van bestuur of bestuurders niet aantast.

In het zesde tot en met negende lid is de regeling opgenomen voor de gelijke behandeling van mannen en vrouwen die in artikel 83, tweede lid, onderdeel b, vierde, vijfde en zesde lid, van de Pensioenwet staat. De regeling is in dit artikel is materieel gelijk aan de regeling in artikel 83 van de Pensioenwet. In de Wvb is de regeling van artikel 91Wvb overgenomen.

Op grond van het tiende lid wordt voor de waardering van de aanspraken en rechten gebruik gemaakt van de vba-methode of de standaardmethode. Deze methodes worden ook voorgeschreven bij het inzetten van vermogen voor compensatie. Op grond van het twaalfde lid kunnen bij algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over dit artikel. Hierbij wordt onder meer gedacht aan regels voor de procedure en het vaststellen van de overdrachtswaarde.

Hier de tekst

Hier de tekst

Hier de tekst

Hier de tekst

Hier de tekst

Hier de tekst

Hier de tekst

Hier de tekst

Hier de tekst

Start typing and press Enter to search