Artikel 150o Financieel overbruggingsplan tijdens transitie

1 Een pensioenfonds dat naar verwachting zal overgaan op een collectieve waardeoverdracht als bedoeld in artikel 150m, kan in de periode tot die collectieve waardeoverdracht plaatsvindt, in afwijking van de artikelen 138, 139, of 140, eerste en derde lid, afzien van het jaarlijks indienen van een herstelplan en kan in plaats daarvan jaarlijks een concreet en haalbaar overbruggingsplan indienen dat voldoet aan de voorwaarden in dit artikel.

2 In afwijking van het eerste lid kan een pensioenfonds dat op 1 juli 2024 geen implementatieplan heeft ingediend bij de toezichthouder geen overbruggingsplan indienen voor de jaren 2024 en 2025

3 In het overbruggingsplan beschrijft het pensioenfonds de financiële situatie van het pensioenfonds in de periode tot het pensioenfonds overgaat tot collectieve waardeoverdracht maar uiterlijk op 1 januari 2026. Het uitgangspunt voor de beschrijving is de dekkingsgraad van het pensioenfonds op 31 december van enig jaar.

4 Het pensioenfonds dient het overbruggingsplan ter instemming in bij de toezichthouder binnen drie maanden nadat het pensioenfonds de dekkingsgraad heeft vastgesteld op 31 december van enig jaar, met uitzondering van de indiening naar aanleiding van de vaststelling van de dekkingsgraad op 31 december 2023, waarna de indiening plaatsvindt binnen zes maanden.

5 Het overbruggingsplan heeft steeds een looptijd tot het tijdstip waarop het pensioenfonds verwacht over te gaan tot collectieve waardeoverdracht maar uiterlijk 1 januari 2026.

6 Indien het pensioenfonds op 31 december van enig jaar een dekkingsgraad heeft waarbij de technische voorzieningen voor minder dan 90% door waarden worden gedekt, neemt het binnen drie maanden na het tijdstip waarop het overbruggingsplan moet zijn ingediend maatregelen waardoor de dekkingsgraad van het pensioenfonds direct zodanig wordt dat de technische voorzieningen voor 90% door waarden worden gedekt.

7 Indien het pensioenfonds op 31 december van enig jaar een dekkingsgraad heeft waarbij de technische voorzieningen voor minder dan 95% door waarden worden gedekt, werkt het, eventueel in aanvulling op het zesde lid, in het overbruggingsplan uit hoe het in de looptijd van het overbruggingsplan zal komen tot een dekkingsgraad waarbij de technische voorzieningen voor 95% door waarden worden gedekt.

8 In afwijking van het zevende lid werkt het pensioenfonds in een overbruggingsplan dat wordt ingediend in het jaar 2024 of 2025 onderbouwd uit hoe het zal komen tot een specifieke richtdekkingsgraad voor het pensioenfonds die niet lager ligt dan 95%. De richtdekkingsgraad is de dekkingsgraad die een pensioenfonds nodig heeft om te komen tot een verantwoorde, uitlegbare en evenwichtige overstap naar de uitvoering van de gewijzigde pensioenovereenkomsten en is een financiële uitwerking van de besluitvorming over de gewijzigde pensioenovereenkomsten en de compensatie.

9 Voor zover het bij de maatregelen die in het overbruggingsplan zijn opgenomen een vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten betreft, worden deze voor zover het betreft een vermindering die betrekking heeft op:

a het zesde lid: direct in de technische voorzieningen verwerkt en direct ofwel in beginsel evenredig gespreid in de tijd doorgevoerd gedurende maximaal de termijn die wordt gebruikt voor het overbruggingsplan, waarbij de eerste termijn wordt doorgevoerd in het jaar waarin het overbruggingsplan is ingediend;

b het zevende lid in het overbruggingsplan voor het jaar 2022: direct in de technische voorzieningen verwerkt en direct doorgevoerd in het jaar waarin het overbruggingsplan is ingediend;

c het zevende of achtste lid in de overbruggingsplannen voor de jaren 2023, 2024 en 2025: evenredig gespreid in de tijd gedurende maximaal de termijn die wordt gebruikt voor het overbruggingsplan, waarbij de eerste termijn direct in de technische voorzieningen wordt verwerkt en doorgevoerd in het jaar waarin het overbruggingsplan is ingediend.

10 Een pensioenfonds dat gebruik maakt van dit artikel:

a onderbouwt in het overbruggingsplan:

1° waarom het vanuit het belang van deelnemers, gewezen deelnemers, andere aanspraakgerechtigden en pensioengerechtigden gebruik maakt van dit artikel;

2° hoe de premiedekkingsgraad bijdraagt aan de financiële positie van het pensioenfonds;

3° hoe zal worden voldaan aan de vereisten van het minimaal vereist eigen vermogen en het vereist eigen vermogen indien het pensioenfonds niet of niet meer gebruik maakt van dit artikel; en

4° hoe het bij de besluitvorming over de vormgeving van de transitie rekening heeft gehouden met generatie-effecten die ontstaan door het gebruik van dit artikel; en

b stelt informatie over het gebruik van dit artikel en de onderbouwing daarvan tijdig ter beschikking van de deelnemers, gewezen deelnemers, andere aanspraakgerechtigden en pensioengerechtigden of verstrekt deze informatie tijdig.

11 Het pensioenfonds stelt het verantwoordingsorgaan in de gelegenheid advies uit te brengen over de vaststelling van het overbruggingsplan. Ten aanzien van dit advies zijn de artikelen 115a, vijfde en zesde lid, 115e en 217 van overeenkomstige toepassing.

12 Het pensioenfonds heeft de goedkeuring nodig van het belanghebbendenorgaan voor elk voorgenomen besluit met betrekking tot de vaststelling van een overbruggingsplan. Artikel 115c, vijfde, achtste, negende en tiende lid, is van overeenkomstige toepassing.

13 Voor de toepassing van artikel 140 telt de vaststelling van een beleidsdekkingsgraad die ligt onder het niveau van het minimaal vereist eigen vermogen in de periode dat op grond van dit artikel geen herstelplan wordt ingediend niet mee voor de bepaling hoe veel maal opeenvolgend sprake is van een beleidsdekkingsgraad onder het minimaal vereist eigen vermogen.

14 Artikel 137, tweede lid, onderdeel a en b, is niet van toepassing zolang een pensioenfonds een overbruggingsplan indient. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld voor de toeslagverlening in die situatie.

15 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel.

Consultatiedocument, p. 40-44:

4a.3 Vormgeving
Pensioenfondsen die gebruik maken van het transitie-ftk hoeven geen maatregelen te nemen om te voldoen aan de VEV- en MVEV-vereisten, zoals het indienen van herstelplannen en het korten tot aan het (minimaal) vereist eigen vermogen. In plaats daarvan dienen zij jaarlijks een overbruggingsplan in. De inhoud van dit overbruggingsplan wordt in de volgende paragrafen toegelicht. Als een pensioenfonds niet invaart en daarom niet langer gebruik kan maken van het transitie-ftk, dient op dat moment, maar uiterlijk bij het indienen van het herstelplan in 2026, behorende bij het meetmoment op 31 december 2025, weer te worden voldaan aan de VEV- en MVEV-vereisten. Vanaf dat moment geldt weer het reguliere aantal van tien jaren om te voldoen aan het VEV en het aantal van zes meetmomenten waarna voldaan moet worden aan het MVEV. Voor het MVEV in het bijzonder geldt dat de teller voor het aantal meetmomenten wordt gepauzeerd op het moment dat gebruik wordt gemaakt van het transitie-ftk. Deze teller gaat weer lopen op het moment dat het pensioenfonds het transitie-ftk verlaat, dan wel bij het vervallen van het transitie-ftk per 1 januari 2026.

Europese wetgeving vereist dat pensioenfondsen beschikken over een minimaal vereist eigen vermogen. [voetnoot 46: Richtlijn (EU) 2016/2341.] De regering acht het verantwoord en mogelijk dat pensioenfondsen langere tijd niet voldoen aan het MVEV als dit in voorbereiding op de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel is en als zij gehouden zijn aan de voorschriften die volgen uit dit hoofdstuk. Concreet, bevat de IORP II- richtlijn geen nadere definiëring van de termijn waarbinnen het tijdelijk is toegestaan dat de verplichtingen niet door waarden zijn gedekt. Ook is het hogere doel gelegen in de overgang naar een nieuwe pensioenstelsel waar direct voldoende technische voorzieningen aanwezig zouden zijn. Tot slot worden de huidige economische omstandigheden in Europees verband geaccepteerd als reden om niet strikt de prudentiële eisen te handhaven. Om deze redenen acht de regering het mogelijk een transitie-ftk te hanteren, in afwijking van het bestaande toetsingskader.

Aan die afwijkingsmogelijkheid is de verplichting verbonden om in het overbruggingsplan aan te geven hoe het pensioenfonds herstelt naar het MVEV wanneer het geen gebruik meer maakt van het transitie-ftk dan wel het transitie-ftk met ingang van 1 januari 2026 is komen te vervallen. Gebruik van het transitie-ftk is optioneel en het besluit van het transitie-ftk gebruik te maken, volgt het besluitvormingsproces zoals beschreven in paragraaf 4.4. Als een pensioenfonds gebruik maakt van het transitie-ftk, geldt het volgende.

4a.3.1 Richtdekkingsgraad
Het kan voor het realiseren van een verantwoorde, uitlegbare en evenwichtige transitie nodig zijn de financiële situatie van het pensioenfonds te verbeteren. Om uitvoering te geven aan de wens handelingen te voorkomen die in het kader van een dergelijke overstap naar het nieuwe pensioenstelsel onnodig zijn, maar ook handelingen die in dat kader nodig zijn niet na te laten, speelt in het transitie-ftk de richtdekkingsgraad een centrale rol. De richtdekkingsgraad is de dekkingsgraad die benodigd is voor een verantwoorde, uitlegbare en evenwichtige overstap naar het nieuwe pensioenstelsel. De richtdekkingsgraad weerspiegelt daarmee het financiële beslag van de gemaakte afspraken over een nieuwe pensioenovereenkomst en over de vormgeving van de overstap daar naartoe. Een pensioenfonds dat gebruik maakt van het transitie-ftk moet op het moment van invaren, dus uiterlijk per 1 januari 2026 de richtdekkingsgraad bereiken. Dit geldt alleen indien het pensioenfonds op dit moment een dekkingsgraad heeft die onder de richtdekkingsgraad ligt. Een pensioenfonds met een dekkingsgraad boven de richtdekkingsgraad groeit daar logischerwijs niet naartoe, maar hoeft ook geen maatregelen te treffen behorende bij een dekkingsgraad onder de VEV- en MVEV-vereisten. Alle pensioenfondsen die van het transitie- ftk gebruik willen maken, dienen een overbruggingsplan in.

Pensioenfondsen die gebruik maken van het transitie-ftk, groeien vanaf 2022 naar een richtdekkingsgraad van ten minste 95% die bij het invaren of uiterlijk 1 januari 2026 bereikt moet zijn. Het pensioenfonds stelt daartoe een herstelpad op in het fondsspecifieke overbruggingsplan (zie paragraaf 4.3.2). De regering acht de generieke 95% een prudent minimum om in het transitie-ftk als generieke richtdekkingsgraad te hanteren. Deze generieke richtdekkingsgraad weerspiegelt de uitkomst van gevoeligheidsanalyses die zijn uitgevoerd voor pensioenfondsen met verschillende kenmerken en waarbij is uitgegaan van de overstap naar leeftijdsonafhankelijke premies. Daarbij is gebruik gemaakt van de twee contracten en twee invaarmethoden, voor verschillende economische parameters en voor verschillende gemaakte afspraken en doelen die met de transitie kunnen worden nagestreefd. Uit die gevoeligheidsanalyses blijkt dat bij een dekkingsgraad van minimaal 95% een gemiddeld pensioenfonds voldoende middelen heeft om een transitie te voltooien waarbij de verwachte uitkeringen zoals op het pensioenoverzicht getoond gelijk zijn gebleven, zonder dat daarvoor herverdeling nodig is. [voetnoot 47: Voor de juistheid van het pensioenoverzicht is het pensioenreglement leidend.] Met het gelijk houden van uitkeringen wordt bedoeld dat voor gepensioneerden de hoogte van de lopende uitkering vóór en na transitie ten minste gelijk blijft en dat voor alle deelnemers de inzake het verwachte pensioen op het Uniforme Pensioenoverzicht (UPO) vermelde bedragen op peil blijven. Bij het bepalen van de richtdekkingsgraad van 95% is gestuurd op generatie-evenwichtigheid, omdat op het moment dat een pensioenfonds een beroep doet op het transitie-ftk de fondsorganen over die transitie en de eventuele herverdeling die daarbij plaatsvindt nog geen mening hebben kunnen vormen. De analyse en de onderbouwing van de richtdekkingsgraad van 95% is nader toegelicht in de bijlage bij deze toelichting. In het algemeen en gemiddeld genomen geldt dat pensioenfondsen met – in isolatie bezien – een relatief jong deelnemersbestand, met een relatief minder risicovol beleggingsbeleid en pensioenfondsen die overstappen op een verbeterde premieregeling een hogere richtdekkingsgraad nodig hebben om dezelfde doelen te bereiken. Deze en andere karakteristieken kunnen uiteraard tot versterkende of tegengestelde effecten leiden. Pensioenfondsen die aan een groot deel van de hiervoor genoemde criteria voldoen en hetzelfde doel willen bereiken, kunnen een dekkingsgraad boven 100% nodig hebben. Het staat pensioenfondsen te allen tijde vrij zich op een hogere dekkingsgraad te richten als zij dat in hun specifieke situatie verantwoord, nodig of prudent vinden. Pensioenfondsen kunnen daartoe eigen gevoeligheidsanalyses uitvoeren.

Een pensioenfonds dat gebruik maakt van het transitie-ftk, groeit vanaf 2022 naar een richtdekkingsgraad van minimaal 95% op uiterlijk 1 januari 2026. Uiterlijk per 1 januari 2024 hebben sociale partners en pensioenfondsen – conform de mijlpalen omschreven in hoofdstuk 6 Waarborgen voor evenwichtige transitie – afspraken gemaakt over een nieuwe pensioenregeling, en over de vormgeving van de overstap naar die nieuwe pensioenregeling. Op het moment dat sociale partners de nieuwe pensioenregeling willen onderbrengen, kan worden bepaald welk vermogen benodigd is om de gewenste transitie uit te voeren. Als daaruit volgt dat voor de transitie een hogere dekkingsgraad nodig is dan 95%, groeit het pensioenfonds naar die hogere dekkingsgraad toe. In het overbruggingsplan dat uiterlijk op 1 juli 2024 wordt ingediend, onderbouwt het pensioenfonds de fondsspecifieke richtdekkingsgraad, ook als dit de generieke richtdekkingsgraad van 95% betreft. Met het berekenen van de richtdekkingsgraad neemt het pensioenfonds als het ware een voorschot op de berekeningen die het zal uitvoeren bij de transitie zelf. De berekening geschiedt daarom ook volgens de vereisten die deze wet aan de transitieberekeningen stelt, zoals in hoofdstuk 6.2.3 over het invaren is opgenomen.

Pensioenfondsen hebben de vrijheid om zich op een hogere richtdekkingsgraad te richten, bijvoorbeeld omdat fondsspecifieke kenmerken hiertoe aanleiding geven of omdat de wens bestaat de solidariteitsreserve bij de transitie reeds (gedeeltelijk) te vullen. Ook bestaat de kans dat na afronding van de besluitvorming blijkt dat een hogere richtdekkingsgraad dan 95% nodig is om de transitie evenwichtig te voltrekken. Een pensioenfonds kan daarop anticiperen door zich al eerder te richten op een hogere richtdekkingsgraad en daarbij de eventuele maatregelen die voor het bereiken van die richtdekkingsgraad nodig zijn over een langere termijn door te voeren, waarmee de onmiddellijke impact van die maatregelen wordt verkleind. Een andere reden om een hogere dekkingsgraad na te streven, is dat het pensioenfonds wil voorkomen dat – wanneer invaren uiteindelijk niet haalbaar blijkt – het ingrijpende maatregelen moet nemen om te herstellen naar het VEV- of MVEV-vereiste. De regering acht de fondsspecifieke keuze voor een hogere richtdekkingsgraad op deze gronden juridisch verantwoord.

4a.3.2 Herstelpad naar de richtdekkingsgraad
Een pensioenfonds dat gebruik maakt van het transitie-ftk, groeit vanaf 2022 naar een richtdekkingsgraad van minimaal 95% op uiterlijk 1 januari 2026. In het overbruggingsplan dat uiterlijk 1 april 2022 wordt ingediend, werkt het pensioenfonds uit hoe het de richtdekkingsgraad gaat bereiken. Het overbruggingsplan heeft dus een looptijd tot uiterlijk 1 januari 2026 en wordt jaarlijks geactualiseerd en ter goedkeuring aan DNB voorgelegd. Het overbruggingsplan gaat – conform de huidige herstelplansystematiek – uit van een prudente raming van de economische en financiële ontwikkeling binnen de maximaal toegestane waarden van de parameters zoals vastgesteld krachtens de Pensioenwet. Het pensioenfonds beschouwt in het bijzonder de bijdrage van de premiedekkingsgraad aan het herstelpad en licht toe of in het kader van herstel naar de richtdekkingsgraad maatregelen nodig zijn die betrekking hebben op de premiedekkingsgraad.

In het eerste overbruggingsplan wordt de financiële positie van het pensioenfonds betrokken zoals deze geldt op 31 december 2021. Als het pensioenfonds op basis van de actuele dekkingsgraad op 31 december 2021 niet in staat is de richtdekkingsgraad van 95% op 1 januari 2026 te bereiken, neemt het onvoorwaardelijk maatregelen. Als deze maatregelen de vermindering van pensioenaanspraken en –rechten betekenen, mogen deze niet gespreid worden doorgevoerd. De regering acht het niet verantwoord dat pensioenfondsen met een te grote, zo niet onmogelijke achterstand, het transitie-ftk ingaan. Het onvoorwaardelijk en ongespreid doorvoeren van maatregelen beoogt te bewerkstelligen dat een pensioenfonds een herstel doormaakt in de transitieperiode met een reële kans een dekkingsgraad van (tenminste) 95% bereikt.

Hierna dient het pensioenfonds jaarlijks een overbruggingsplan in waarin het aangeeft hoe het zijn richtdekkingsgraad op het beoogde moment van invaren heeft bereikt, doch uiterlijk op 1 januari 2026. Als het volgens het overbruggingsplan nodig is maatregelen te treffen die vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten betekenen, kunnen deze worden gespreid over de looptijd van het overbruggingsplan. De termijn voor het eerste jaar (het jaar waarin het overbruggingsplan wordt ingediend) wordt direct in de technische voorzieningen verwerkt en in de aanspraken en uitkeringen doorgevoerd. De kortingen voor de andere termijnen zijn voorwaardelijk. Deze spreidingstermijn voorkomt dat de transitie zelf wordt belast met maatregelen die ten behoeve van die transitie worden genomen. Met andere woorden: wanneer maatregelen gespreid zouden mogen worden over een periode die na 2026 ligt, moeten die maatregelen worden betrokken bij de transitie en wordt de transitie daarmee onnodig bemoeilijkt. Voor een voorwaardelijke verwerking is gekozen om jaarlijks te kunnen bijsturen als de financiële ontwikkeling bij het pensioenfonds daar aanleiding toe geeft.

Het overbruggingsplan dat in 2024 wordt ingediend, dient in afwijking van de andere overbruggingsplannen uiterlijk 1 juli 2024 te worden ingediend, tezamen met het implementatieplan en het communicatieplan. In dat overbruggingsplan geeft het pensioenfonds aan of het wil afwijken van de generieke richtdekkingsgraad en zich wil richten op een fondsspecifieke, hogere richtdekkingsgraad. Het pensioenfonds werkt opnieuw uit hoe het de richtdekkingsgraad op het beoogde moment van invaren heeft bereikt, doch uiterlijk op 1 januari 2026. Ook als het naar een richtdekkingsgraad van 95% blijft toegroeien, onderbouwt het deze richtdekkingsgraad op grond van de besluitvorming binnen het pensioenfonds. Als de benodigde besluitvorming op een eerder moment afgerond is, kan het pensioenfonds op een eerder moment ervoor kiezen onderbouwd af te wijken van de generieke richtdekkingsgraad en een overbruggingsplan uitgaande van een fondsspecifieke, hogere richtdekkingsgraad indienen. Het pensioenfonds dient in dat geval op het eerdere moment ook het wettelijk verplichte communicatieplan in bij de AFM. Als het implementatieplan niet 1 juli 2024 is ingediend, staat vast dat het pensioenfonds niet zal invaren en kan het geen gebruik meer maken van het transitie-ftk.

Op uiterlijk 1 januari 2026 heeft het pensioenfonds de transitie voltooid. Eventuele verschillen tussen de voor de transitie benodigde dekkingsgraad en de actuele dekkingsgraad worden bij de transitie betrokken.

Voor pensioenfondsen die gebruik maken van het transitie-ftk geldt een minimale dekkingsgraad van 90% die zij op elk meetmoment dienen te hebben. Als een pensioenfonds hier niet aan voldoet, neemt het binnen zes maanden maatregelen waardoor de dekkingsgraad van het pensioenfonds, naar de stand ultimo vorig jaar, direct zodanig wordt dat de technische voorzieningen voor 90% door waarden worden gedekt. De onvoorwaardelijke korting naar 90% mag over maximaal het aantal jaren tot 1 januari 2026 gespreid worden doorgevoerd (doch tenminste tijdsevenredig), waarbij de eerste termijn wordt doorgevoerd in het jaar waarin het overbruggingsplan is ingediend. De 90% dekkingsgraad is een ultieme grens waarvan de regering het niet wenselijk vindt dat pensioenfondsen daaronder zakken met het oog op de continuïteit van het pensioenfonds. De ondergrens sluit aan bij het uitgangspunt dat tenminste 90% van de premie in het nieuwe contract wordt toegevoegd aan het voor het pensioen gereserveerde vermogen.

In het overbruggingsplan geeft het pensioenfonds tot slot aan hoe het zal voldoen aan de VEV- en MVEV-vereisten wanneer het besluit niet langer gebruik te maken van het transitie-ftk of besluit de pensioenen niet in te varen. Wanneer op 1 januari 2024 over de transitie afspraken zijn gemaakt is duidelijk of dit onderdeel van het herstelplan meer of minder relevant is voor het pensioenfonds. Als het pensioenfonds op 1 juli 2024 nog geen door interne organen goedgekeurd implementatieplan heeft, dient het een herstelplan in. Als het pensioenfonds besluit niet langer gebruik te maken van het transitie-ftk, als na afronding van de besluitvorming blijkt dat het pensioenfonds niet zal invaren of als het aan het einde van de transitieperiode de pensioenen niet heeft ingevaren, zijn de eisen uit het reguliere financieel toetsingskader van toepassing bij het eerstvolgende meetmoment. In het voornoemde communicatieplan werkt het pensioenfonds eveneens uit hoe met de situatie waarin het weer moet voldoen aan de VEV- en MVEV-vereisten in de informatieverstrekking richting deelnemers wordt omgegaan.

In paragraaf 4.5 wordt nader ingegaan op de rol van de toezichthouders en de communicatie met deelnemers.

4a.3.3 Indexatie
In het nieuwe pensioenstelsel zijn pensioenverhogingen in de regel eerder aan de orde dan in het huidige stelsel. Op dit onderdeel van het nieuwe pensioenstelsel wordt ook een voorschot genomen in het transitie-ftk. Voor pensioenfondsen die gebruik maken van het transitie-ftk worden indexatiemogelijkheden daarom verruimd. De indexatiedrempel wordt verlaagd van 110% dekkingsgraad naar 105%. De 105% is gekozen om invulling te geven aan het bij de ontwikkeling van het financieel toetsingskader gevonden evenwicht en ten behoeve daarvan symmetrie na te streven ten opzichte van de richtdekkingsgraad van 95%. Tevens wordt hiermee voorkomen dat de indexatiegrens onder het minimaal vereist eigen vermogen ligt.

Als een dekkingsgraad van een pensioenfonds hoger is dan 105% dan mag een pensioenfonds maximaal conform de prijs- of loonindex in enig jaar indexeren mits de dekkingsgraad daarmee niet onder de 105% komt. Hiermee wordt voorkomen dat de dekkingsgraad door indexatie lager uitkomt dan het MVEV Voor inhaalindexatie gelden de reguliere voorwaarden uit het financieel toetsingskader. [voetnoot 48: Artikel 137, van de Pensioenwet.] Het staat pensioenfondsen uiteraard vrij de indexatiegrens ongewijzigd te laten en een lagere uitdeelsnelheid te hanteren, ten einde meer ruimte te houden in het kader van evenwichtigheid of om op een hogere dekkingsgraad bij invaren uit te komen.

[…]

Consultatiedocument, p. 45:

Vanwege de mogelijke generatie-effecten wordt voorgesteld het belanghebbendenorgaan een goedkeuringsrecht op het overbruggingsplan te geven. Het belanghebbendenorgaan heeft een vergelijkbaar goedkeuringsrecht ten aanzien van een herstelplan. [voetnoot 50: Artikel 115c, negende lid, sub h, van de Pensioenwet.] Het overbruggingsplan zal jaarlijks worden ingediend waardoor ieder overbruggingsplan de goedkeuring behoeft van het belanghebbendenorgaan. Het verantwoordingsorgaan krijgt met dit wetsvoorstel een (jaarlijks terugkerend) adviesrecht ten aanzien van het overbruggingsplan. Als het verantwoordingsorgaan niet om advies wordt gevraagd, het advies van het verantwoordingsorgaan niet wordt opgevolgd of als het advies vanwege later bekend geworden feiten en omstandigheden zou moeten worden herzien, kan het gebruik maken van het beroepsrecht uit artikel 217 van de Pensioenwet.

4a.4.2 Besluitvorming transitie-ftk implementatiefase
Tijdens de implementatiefase kan een pensioenfonds het herstelpad richting de dekkingsgraad van (minimaal) 95% voortzetten. Afhankelijk van de afspraken omtrent de nieuwe pensioenregeling, invaren en compensatie kan het herstelpad gericht zijn op een hogere dekkingsgraad.
In de overbruggingsplannen die het pensioenfonds in deze fase indient, onderbouwt het pensioenfonds het herstel naar een dekkingsgraad passende bij de afspraken uit het transitieplan. Het transitieplan vormt immers de onderbouwing voor de afspraken over invaren en compensatie.

Het belanghebbendenorgaan behoudt in de implementatiefase het goedkeuringsrecht op het overbruggingsplan. Het verantwoordingsorgaan behoudt eveneens het adviesrecht op het overbruggingsplan.

[…]

Consultatiedocument, p. 45-51

4a.4.4 Welke pensioenfondsen
Het pensioenfonds bepaalt of het in het overbruggingsplan opteert voor het transitie-ftk. Voor pensioenfondsen waar het op voorhand bekend is dat niet ingevaren zal worden, is het logisch dat zij geen beroep zullen doen op het transitie-ftk. Daarnaast zal er een categorie pensioenfondsen zijn bij wie in de loop van de transitieperiode bekend wordt dat er niet zal worden ingevaren. Zolang de onderhandelingen over de nieuwe pensioenregeling nog gaande zijn, zijn de mogelijkheden voor de toezichthouder om te beoordelen of een pensioenfonds terecht een beroep doet op het transitie-ftk beperkt. De regering gaat ervan uit dat pensioenfondsen hiermee verantwoord en prudent om zullen gaan.

4a.5 Toezicht en informatie
DNB en de AFM houden conform de verantwoordelijkheidsverdeling in de Pensioenwet toezicht op de uitvoering van het transitie-ftk door pensioenfondsen. In het bijzonder geldt het volgende.

Een pensioenfonds moet onderbouwen waarom het van oordeel is dat het in het belang is van deelnemers [voetnoot 53: Waaronder begrepen gewezen deelnemers, andere aanspraakgerechtigden en pensioengerechtigden.] om gebruik te maken van het transitie-ftk en tevens dat dit uitlegbaar en verantwoord is. Het pensioenfonds onderbouwt dit in zijn eerste overbruggingsplan bij het toetreden tot het transitie-ftk. Het pensioenfonds onderbouwt in het implementatieplan hoe het pensioenfonds bij de besluitvorming over de vormgeving van de transitie rekening heeft gehouden met de voor- en nadelen die deelnemers hebben van het transitie-ftk. Het pensioenfonds zal de gevolgen van het opteren voor het transitie-ftk en de bijbehorende keuzes met betrekking tot de inrichting van de transitieperiode en ten grondslag liggend aan het overbruggingsplan in kaart brengen middels netto profijt en additionele maatstaven. Bij het in kaart brengen van netto profijt wordt vergeleken met de situatie dat de bestaande pensioenregeling ongewijzigd voortgezet zou worden. Voor die onderbouwing maakt het pensioenfonds voorts gebruik van het transitieplan zodra dat beschikbaar is, maar in ieder geval gebruikt het pensioenfonds het transitieplan bij de onderbouwing van de fondsspecifieke, hogere richtdekkingsgraad. De regering vindt het belangrijk dat pensioenfondsen het besluit om gebruik te maken van het transitie-ftk weloverwogen nemen, transparantie betrachten over het gebruik van het transitie-ftk en ten behoeve daarvan deelnemers inzicht bieden in de profijteffecten op cohortniveau.

Het pensioenfonds stelt informatie over het gebruik van het transitie-ftk en de onderbouwing daarvan tijdig ter beschikking van de deelnemers of verstrekt deze informatie tijdig. De norm van artikel 48 van de Pensioenwet is hierop van toepassing. Het pensioenfonds maakt hierbij ook de gevolgen van het gebruik van het transitie-ftk voor de deelnemer inzichtelijk. Hierbij gaat het pensioenfonds eveneens in op de gevolgen voor de deelnemer als het transitie-ftk niet langer van toepassing blijkt.

Het pensioenfonds legt de beoogde werkwijze vast in het wettelijk verplichte communicatieplan dat, vanwege de aangepaste tijdslijnen bij gebruik van het transitie-ftk, uiterlijk tegelijk wordt ingediend met het overbruggingsplan in 2024 of zoveel eerder als het pensioenfonds gebruik maakt van een fondsspecifieke richtdekkingsgraad.

In de periode voorafgaand aan het indienen van het wettelijk verplicht communicatieplan, geldt in ieder geval het uitgangspunt dat het pensioenfonds de informatie over het gebruik en de onderbouwing van genomen besluiten aan zijn deelnemers en pensioengerechtigden ter beschikking stelt dan wel verstrekt. De informatie zal de gevolgen van het gebruik van het transitie-ftk voor de deelnemer inzichtelijk maken.

De AFM houdt toezicht op de informatieverstrekking aan deelnemers over het gebruik en de uitvoering van het transitie-ftk en of informatie over de gevolgen van dat gebruik voor de deelnemers evenwichtig, duidelijk, correct en tijdig is. DNB toetst het overbruggingsplan en de daarin opgenomen onderbouwing voor het gebruik van het transitie-ftk. DNB toetst of het fonds de (fondsspecifieke) richtdekkingsgraad voldoende heeft onderbouwd en of de effecten daarvan op deelnemers, volgens de wettelijk gestelde vereisten, in beeld zijn gebracht en betrokken zijn bij de besluitvorming over het gebruik maken van het transitie-ftk. DNB toetst niet de uitkomsten van de belangenafweging, maar wel of het proces om tot die afweging te komen goed gevolgd is.

4a.6 Premie, opbouw en premiedekkingsgraad
Idealiter wordt ook de premiestelling door pensioenfondsen die gebruik maken van het transitie-ftk vanuit het nieuwe pensioenstelsel bezien. Wat daarbij lastig is – net als bij het bepalen van de fondsspecifieke richtdekkingsgraad – is dat pas als de besluitvorming is afgerond (volledig) duidelijk is welke premie wordt afgesproken en met welk projectierendement de hoogte van de uitkering in beeld wordt gebracht. Daarnaast verschilt het karakter van de pensioenovereenkomst tussen het huidige en het nieuwe pensioenstelsel. De vertaling vanuit het nieuwe pensioenstelsel naar de huidige premie, opbouw en premiedekkingsgraad is daardoor moeilijk één-op-één te maken. Er is een aantal manieren om naar die vertaling te kijken. Desalniettemin doen sociale partners er verstandig aan al in de komende jaren een visie op de premiestelling te formuleren volgens de principes van het nieuwe stelsel.

Aan de premiedekkingsgraad zijn geen wettelijke eisen gesteld en de kostendekkende premie mag (binnen bepaalde grenzen) met de rente en met rendement gedempt worden. De balans tussen premie en opbouw kan binnen de wettelijke mogelijkheden worden gebaseerd op een verwacht rendement, zoals in het nieuwe stelsel het verwacht rendement ook een rol speelt in de projectiemethode. Een andere zienswijze is dat in een premieovereenkomst geen uitkering of opbouw wordt toegezegd. Er is daarom – in termen van het huidige stelsel – per definitie sprake van een kostendekkende premie en een premiedekkingsgraad van 100%. Het huidige wettelijke kader geeft sociale partners en pensioenfondsen relatief veel ruimte om naar eigen inzicht en op

een verantwoorde manier de balans tussen premie, opbouw en premiedekkingsgraad te benaderen bezien vanuit de nieuwe systematiek. Bij het opstellen van de in dit hoofdstuk genoemde overbruggingsplannen komt de premiestelling ook aan de orde. Pensioenfondsen geven in die overbruggingsplannen aan hoe de premiedekkingsgraad met het oog op de transitie bijdraagt aan de financiële positie van het pensioenfonds. Door in die overbruggingsplannen ook de premiestelling te betrekken, kan een integrale afweging gemaakt worden.

4a.7 Technische verantwoording van de richtdekkingsgraad van ten minste 95%
Bij aanvang van de transitieperiode is nog niet bekend naar welke pensioenregeling ingevaren zal worden, welke invaarmethode wordt gebruikt, noch zijn er afspraken bekend over eventuele compensatie. Daarom is onderzocht waar een generieke richtdekkingsgraad aan zou moeten voldoen gegeven deze onbekendheden. Er is voor gekozen met de richtdekkingsgraad te sturen op de vraag over welke dekkingsgraad het pensioenfonds moet beschikken om op het transitiemoment minimaal het perspectief van deelnemers vóór en na transitie gelijk te houden. Bij het invaren wordt het fondsvermogen toegewezen aan deelnemers volgens de standaardmethode of de VBA- methode (beide methoden worden uitgelegd in hoofdstuk 6 Waarborgen voor een evenwichtige transitie). Bij de bepaling van de generieke richtdekkingsgraad is gebruik gemaakt van de VBA- methode, omdat de fondsorganen zich in 2022 nog niet hebben uitgesproken over de gemaakte afspraken. Er is gecontroleerd of gebruik van de standaardmethode tot andere uitkomsten zou leiden. Bovendien is het toegestaan dat, na afstemming met de fondsorganen, de uitkomsten in termen van netto profijt afwijken van nul indien dit uitlegbaar is.

De Pensioenfederatie en DNB hebben berekeningen uitgevoerd naar de hoogte van de richtdekkingsgraad. De conclusie is dat zowel uit de analyses van DNB als van de Pensioenfederatie volgt dat een richtdekkingsgraad van ten minste 95% een goed uitgangspunt is voor een evenwichtige transitie. Bij een lagere dekkingsgraad dan 95% blijkt het nodig om concessies te doen aan de hoogte van de lopende of verwachte uitkering of af te wijken van de in de Hoofdlijnennotitie genoemde invaarmethoden.

Onderbouwing richtdekkingsgraad van ten minste 95%
Uit doorrekeningen van DNB blijkt dat bij dekkingsgraden vanaf ten minste 95% een gemiddeld pensioenfonds voldoende middelen heeft om de (verwachte) uitkeringen vóór en na transitie gelijk te houden, zonder dat daarvoor herverdeling tussen deelnemers nodig is. Met het gelijk houden van uitkeringen wordt bedoeld dat voor gepensioneerden de hoogte van de lopende uitkering vóór en na transitie ten minste gelijk blijft en dat voor alle leeftijdscohorten het (verwachte en voor de prijsontwikkeling gecorrigeerde) pensioen ten minste op peil blijft.

Figuur 1 toont de transitie-effecten bij een doorrekening van een fonds met dekkingsgraad 95% op transitiemoment. De linker grafiek laat zien dat het mogelijk is om met nagenoeg geen herverdeling in te varen. De lijn die de verandering van het netto-profijt weergeeft, de maatstaf om generationele effecten inzichtelijk te maken, vertoont een vrijwel vlak verloop op de 0 lijn. De rechter grafiek laat zien dat de reeds ingegane uitkering gemiddeld op peil gehouden kan worden. De groene lijn, die de vervangingsratio in het nieuwe contract weergeeft, ligt in het mediane scenario boven of op de zwarte lijn, die de vervangingsratio’s in het FTK-contract weergeeft. De spreiding is wel groter, omdat het nieuwe pensioencontract minder buffervorming kent en er in de uitkeringsfase nog wordt doorbelegd met de toebedeelde vermogens.


Figuur 1: transitie-effecten bij een dekkingsgraad van 95%.

Bij gebruik standaardmethode
De Pensioenfederatie heeft, bij gangbare aannames, vastgesteld dat een gemiddeld pensioenfonds bij gebruikmaking van de standaardmethode voldoende middelen heeft om de (verwachte) uitkeringen vóór en na transitie gelijk te houden als het invaart bij een dekkingsgraad van 95% of hoger.


Figuur 2: Analyse Pensioenfederatie bij dekkingsgraad 95%

Gevoeligheidsanalyses bij gebruik VBA-methode
De hoogte van de richtdekkingsgraad die nodig is om lopende en verwachte uitkeringen gelijk te houden, zonder dat daarvoor herverdeling tussen generaties nodig is, is gevoelig voor onderliggende aannames die gemaakt zijn. Deze aannames hebben zowel betrekking op fondsspecifieke aspecten (endogene aannames) als financieel-economische omstandigheden (exogene aannames). Daarnaast is uiteraard de inrichting van het nieuwe pensioencontract relevant. Tabel 1 maakt de resultaten voor een aantal gevoeligheidsanalyses inzichtelijk.

Model input Richtdekkingsgraad
Basis 95%
Beleggingsmix Minder risico: 40%-60% 105%

 

Meer risico: 60%-40% 95%
 

Fondssamenstelling

Groen Fonds >105% (≥110%)
Grijs Fonds 95%
 

Risicopremie aandelen

Lagere risicopremie >105% (≥110%)
Hogere risicopremie 95%
 

Start RTS

Initiële RTS -50bps schok 95%
Initiële RTS kalibratie december 2018  

>105% (≥110%)

Contract WVP >105% (≥110%)

Tabel 1: Gevoeligheidsanalyses VBA-methode

Noot: hier geldt dat de richtingsgraad representatief is voor het minimale niveau om netto profijt effecten van nul te bewerkstelligen, ten einde herverdeling tussen deelnemers te voorkomen, inclusief een tenminste gelijk blijvend pensioenperspectief in termen van de UPO-bedragen. Er is gerekend met stapgrootte 5%-punt voor het bepalen van de richtdekkingsgraad. Invaarmethode: VB-ALM.

De richtdekkingsgraad is in sterke mate gevoelig voor de verschillende modelspecificaties t.o.v. de basisvariant.

Allereerst is gekeken naar het beleggingsbeleid van pensioenfondsen. Zowel een minder risicovolle beleggingsmix als een lagere risicopremie op aandelen resulteren in een hogere richtdekkingsgraad. Een hoger projectierendement maakt het namelijk eenvoudiger om nominale/reële verwachte uitkeringen op peil te houden en bij risicovollere beleggingen zijn er meer middelen (onverdeeld vermogen) om herverdelingseffecten te vereffenen.

Ten tweede is gekeken naar de fondssamenstelling. Een grijzer pensioenfonds resulteert in een lagere richtdekkingsgraad. Ouderen profiteren in het nieuwe contract van meer perspectief op indexatie/rendement, wat een positief effect heeft op het onverdeeld vermogen. Daarnaast hoeft er minder van dat vermogen gebruikt te worden voor bijvoorbeeld compensatie van de effecten van het afschaffen van de doorsneesystematiek.

Ten derde is gekeken naar de contractinvulling. Een solidariteitsreserve die proportioneel uitdeelt, maar wordt gevuld vanuit premie en overrendement, is ten gunste van ouderen generaties, want het zijn de actieven die premies betalen en de grootste blootstelling naar overrendement hebben. Daarom heeft de solidariteitsreserve een positief effect op het onverdeelde vermogen, wat ingezet kan worden om herverdelingseffecten te vereffenen. Voor de verbeterede premieregeling, zonder solidariteitsreserve, geldt daarom een richtdekkingsgraad van boven de 105%.

Tot slot is gekeken naar het effect van de rentestand op transitiemoment. Hieruit blijkt dat bij een hogere rentestand op transitiemoment, geïllustreerd aan de hand van RTS kalibratie december 2018, een hogere richtdekkingsgraad nodig is. De verklaring hiervoor is dat bij een hogere rente de omvang van het herverdelingsvraagstuk als gevolg van het afschaffen van de doorsneesystematiek groter is.

Tot slot is goed om te benadrukken dat in deze analyse geen rekening gehouden met de eventuele wens om de solidariteitsreserve al (gedeeltelijk) tijdens de transitie te vullen. Het vullen van de solidariteitsreserve tijdens de transitie naar het nieuwe stelsel vereist voor een gemiddeld fonds een hogere richtdekkingsgraad dan 95%. Grosso modo is voor een solidariteitsreserve met een omvang van 1% een 1%-punt hogere richtdekkingsgraad nodig.

De uitkomsten van de gevoeligheidsanalyses laten zien dat voor andere aannames een richtdekkingsgraad van tussen 95% en oplopend tot 110% nodig is om lopende en verwachte uitkeringen gelijk te houden zonder dat daarvoor herverdeling tussen deelnemers nodig is. Voor fondsen met specifieke karakteristieken of de wens om de solidariteitsreserve te vullen tijdens de transitie is een hogere richtdekkingsgraad vereist.

Technische duiding basisanalyse en gevoeligheidsanalyse
Overzicht onderliggende aannames

Beleggingsmix
Risicoprofiel Percentage aandelen 50% (gewogen gemiddelde)
Huidig FTK
Premiedekkingsgraad 100%
Inhaalindexatie Ja
Indexatieachterstand bij aanvang 15% (= gemiddelde grootste 4)
Terugblikkende horizon indexatieachterstand 10 jaar
Jaren in tekort bij aanvang 5 jaar
Respecteren genoeg is genoeg Ja
Premiekorting of premievakantie Nee
Economische scenarioset
Model ESG: KNW-model
Parameters Commissie parameters 2019
Rentekalibratie X0 Augustus 2020
Nieuw contract
Projectierendement Verwacht beleggingsrendement gepensioneerden minus steady state inflatie
Start omvang solidariteitsreserve 0% van totale vermogen
Maximale omvang solidariteitsreserve 15% van totale vermogen
Reserve afslag uit premie 10% van premie-inleg
Reserve afslag uit rendement 10% van positief overrendement
Uitdelen reserve 10% van negatief overrendement 0%< Buffer < 5% : 1/15 deel
5% < Buffer < 10%: 1/10 deel 10% < Buffer < 15%: 1/5 Buffer > 15%: geheel
Spreiden schokken Geen spreiding
Leeftijdsafhankelijke toedeling overrendement (perspectief uniforme aanpassingen in het te bereiken pensioen) Overrendement wordt gelijk toebedeeld naar het verwachte pensioen. Toedelingsfactor leeftijdscohort LC(i): F/[F+H] x [Fi+Hi]/Fi

F: huidig vermogen

H: contante waarde toekomstige premies i: leeftijdscohort

Leeftijdsafhankelijke afdekking renterisico In het model is nu verondersteld dat het renterisico voor alle leeftijdscohorten met hetzelfde percentage (50%) wordt afgedekt.

 

Overzicht onderliggende aannames gevoeligheidsanalyses
Hieronder wordt de typering van de gevoeligheden uit Tabel 1 weergegeven:

  • Beleggingsmix: Een meer risicovolle beleggingsmix (aandelen/obligaties 60%/40%) en minder risicovolle beleggingsmix (aandelen/obligaties 40%/60%). Deze bandbreedte is representatief voor de feitelijke beleggingsmix in het 25e en 75e percentiel van de pensioensector.
  • Fondssamenstelling: een groen en een grijs fonds. Hierbij is gekeken naar het 20e en 80epercentiel van de sector ultimo 2019 betreffende de verhouding van technische voorzieningen van actieven en gepensioneerden. Deze verhouding is vervolgens in het model
  • Aandelen risicopremie: een hogere risicopremie op aandelen (+1 procentpunt) en lagere risicopremie op aandelen (-1 procentpunt). De meest recente Commissie parameters stelt deze premie op 33%.
  • Start RTS: Een initiële (t=0) RTS gekalibreerd op de DNB RTS december 2018 (dit betreft een significant hogere RTS) en een initiële RTS die een parallelle schok ondervindt van -50

[…]

Consultatiedocument, p. 192-194:

Artikel 150o Pensioenwet en artikel 145n Wvb
In artikel 150o van de Pensioenwet en artikel 145n Wvb is een regeling opgenomen voor pensioenfondsen die naar verwachting de bestaande pensioenaanspraken en pensioenrechten zullen invaren overeenkomstig de gewijzigde pensioenovereenkomsten. Daarbij gaat het bij invaren om een interne collectieve waardeoverdracht op grond van artikel 150m van de Pensioenwet en artikel 145l Wvb. Deze fondsen kunnen door deze regeling in de jaren totdat de overgang naar de gewijzigde pensioenovereenkomsten en het invaren wordt gerealiseerd in hun vermogenspositie anticiperen op de overgang om het invaren zo soepel mogelijk laten verlopen.

In het eerste lid wordt geregeld dat pensioenfondsen die gebruik maken van dit artikel in afwijking van de artikelen 138, 139 en 140 van de Pensioenwet of de artikelen 133, 134 en 135 Wvb afzien van het jaarlijks indienen van herstelplannen en in plaats daarvan jaarlijks een overbruggingsplan indienen. Daarbij is opgenomen dat pensioenfondsen gebruik kunnen maken van dit artikel indien zij “naar verwachting” invaren. Dit is zo omschreven omdat, zeker in de eerste jaren, de besluitvorming over het wijzigen van de pensioenovereenkomst en het invaren nog niet kan zijn gerealiseerd. Dit kan betekenen dat een pensioenfonds dat in de eerste jaren gebruik maakt van deze regeling later alsnog daarvan afstapt omdat is besloten niet tot invaren over te gaan. Dit pensioenfonds zal dan vanaf dat moment weer herstelplannen moeten opstellen.

Op grond van het tweede lid kan een pensioenfonds dat op 1 juli 2024 geen implementatieplan heeft ingediend niet (langer) gebruik maken van deze regeling. In het implementatieplan legt het pensioenfonds vast op welke wijze voorbereidingen worden getroffen voor de uitvoering van de gewijzigde pensioenovereenkomst en invulling zal worden gegeven aan de uitvoering van de gewijzigde pensioenovereenkomst, alsmede de wijze waarop zal worden omgegaan met opgebouwde pensioenaanspraken en pensioenrechten.

Het indienen van een implementatieplan uiterlijk 1 juli 2024 is een van de mijlpalen in het transitieproces (zie hiervoor verder de toelichting bij artikel 150c Pensioenwet). Als hieraan niet is voldaan kan het pensioenfonds ook niet langer gebruik maken van de overbruggingsplannen en zal dit pensioenfonds weer aan de gewone regels voor het financieel toetsingskader moeten voldoen en vanaf het jaar 2024 weer herstelplannen moeten indienen.

Op grond van het derde lid beschrijft het pensioenfonds in het overbruggingsplan de financiële situatie van het fonds met het oog op het tijdstip waarop het pensioenfonds gaat invaren. Als uitgangspunt voor deze beschrijving geldt de dekkingsgraad van 31 december. Dit is het vaste meetmoment waarop ook de herstelplannen zijn gebaseerd (al is voor herstelplannen de beleidsdekkingsgraad relevant). Voor pensioenfondsen die op dat tijdstip een dekkingsgraad hebben die ligt onder een bepaald niveau zijn aanvullende voorwaarden opgenomen in het zesde en zevende lid.

Op grond van het vierde lid is de termijn voor het indienen van het overbruggingsplan binnen drie maanden na 31 december van enig jaar, vergelijkbaar met de termijn voor het indienen van een herstelplan. De uitzondering hierop is het overbruggingsplan dat wordt ingediend in 2024. Daarvoor geldt een termijn van zes maanden. Dit in verband met de voorwaarde voor gebruik van de overbruggingsplannen dat op 1 juli 204 een implementatieplan moet zijn ingediend. DNB is de toezichthouder die moet instemmen met de overbruggingsplannen.

Op grond van het vijfde lid heeft het overbruggingsplan een looptijd tot het verwacht moment van invaren maar uiterlijk tot 1 januari 2026, wat betekent dat de looptijd ieder jaar met een jaar afneemt.

Op grond van het zesde lid dient een pensioenfonds dat op het meetmoment voor het overbruggingsplan (31 december van enig jaar) een dekkingsgraad heeft van minder dan 90% en dat een overbruggingsplan wil indienen, maatregelen te nemen waardoor het direct komt tot een dekkingsgraad van 90%.

In het zevende lid is geregeld dat het pensioenfonds in het overbruggingsplan uitwerkt hoe het op het moment van invaren en uiterlijk 1 januari 2026 tot een dekkingsgraad van 95% komt. Daarbij is het uitgangspunt de dekkingsgraad op 31 december van enig jaar, maar minimaal de 90% op grond van het zesde lid. Een pensioenfonds met een dekkingsgraad onder de 90% zal dus eerst maatregelen nemen om tot 90% te komen en dan uitwerken hoe het tot 95% zal komen. Als een pensioenfonds van plan is eerder in te varen dan 1 januari 2026 is dit eerdere moment het richtmoment voor de dekkingsgraad van 95%.

Vanaf het overbruggingsplan voor het jaar 2024 moet een pensioenfonds op grond van het achtste lid uitwerken hoe het komt tot een specifieke richtdekkingsgraad voor het pensioenfonds, die niet lager ligt dan 95%. Is de richtdekkingsgraad lager dan 95% moet het pensioenfonds blijven uitwerken hoe het tot 95% komt. De richtdekkingsgraad is de dekkingsgraad die een pensioenfonds nodig heeft om te komen tot een verantwoorde, uitlegbare en evenwichtige overstap naar de uitvoering van de gewijzigde pensioenovereenkomsten. Zie hiervoor verder het algemeen deel van de toelichting.

In het negende lid is geregeld hoe kortingen verwerkt worden indien deze nodig zijn om de dekkingsgraad van 90%, 95% of de richtdekkingsgraad te bereiken. Daarbij worden drie manieren onderscheiden om kortingen te verwerken.

De kortingen die nodig zijn om een dekkingsgraad van 90% te bereiken worden direct in de technische voorzieningen verwerkt en ofwel doorgevoerd in het jaar waarin het overbruggingsplan is ingediend ofwel in beginsel evenredig gespreid in de tijd gedurende maximaal de termijn die wordt gebruikt voor het overbruggingsplan, waarbij de eerste termijn wordt doorgevoerd in het jaar waarin het overbruggingsplan is ingediend.

Bij kortingen die nodig zijn om een dekkingsgraad van 95% of de richtdekkingsgraad te bereiken wordt onderscheid gemaakt tussen de overbruggingsplannen die worden ingediend in het jaar 2022 en de jaren daarna. Kortingen die zijn opgenomen in het overbruggingsplan voor het jaar 2022 worden direct in de technische voorzieningen verwerkt en ook direct doorgevoerd in de aanspraken en uitkeringen. Direct betekent dan in het jaar waarop het overbruggingsplan betrekking heeft, dus 2022. Kortingen die zijn opgenomen in de overbruggingsplannen voor de jaren 2023, 2024 en 2025 kunnen worden gespreid over de looptijd van het overbruggingsplan. De termijn voor het eerste jaar (het jaar waarin het overbruggingsplan wordt ingediend) wordt direct in de technische voorzieningen verwerkt en in de aanspraken en uitkeringen doorgevoerd. De kortingen voor de andere termijnen zijn voorwaardelijk.

In het tiende lid wordt een aantal eisen gesteld aan de onderbouwing van het gebruik van de overbruggingsplannen. Het pensioenfonds moet onderbouwen waarom het vanuit het belang van de betrokkenen in het fonds gebruik maakt van de regeling, hoe de premiedekkingsgraad bijdraagt aan de financiële positie van het fonds met het oog op de transitie, hoe zal worden voldaan aan de vereisten van minimaal vereist eigen vermogen en het vereist eigen vermogen als het fonds weer terug zou gaan naar herstelplannen en hoe het bij de besluitvorming over de vormgeving van de transitie rekening heeft gehouden met generatie-effecten.

Het fonds moet dus oog blijven houden voor de situatie dat alsnog afgezien wordt van invaren.
Verder is in het tiende lid geregeld dat het pensioenfonds alle betrokkenen in het fonds tijdig informeert over het gebruik van de regeling voor overbruggingsplannen, de onderbouwing daarvoor en de wijze waarop het pensioenfonds rekenschap geeft van het gebruik van dit artikel bij de transitie.

Op grond van het elfde lid vraagt het pensioenfonds advies aan het verantwoordingsorgaan over het vaststellen van het overbruggingsplan. Daarbij zijn een aantal waarborgen die van toepassing zijn bij het adviesrecht van het verantwoordingsorgaan van overeenkomstige toepassing. Zie hiervoor verder de toelichting bij artikel 150m, derde lid, over het adviesrecht van het verantwoordingsorgaan bij invaren.

Op grond van het twaalfde lid heeft het pensioenfonds de goedkeuring nodig van het belanghebbendenorgaan voor een voorgenomen besluit tot vaststelling van het overbruggingsplan. Daarbij zijn een aantal waarborgen die van toepassing zijn bij het goedkeuringsrecht van het belanghebbendenorgaan van overeenkomstige toepassing. Zie hiervoor verder de toelichting bij artikel 150m, vijfde lid, over het goedkeuringsrecht van het belanghebbendenorgaan bij invaren.
Op grond van het dertiende lid wordt het tellen van het aantal meetmomenten waarop een pensioenfonds opeenvolgend onder het minimaal vereist vermogen ligt bij gebruik van deze regeling gepauzeerd. Dit is relevant voor de toepassing van artikel 140 van de Pensioenwet en artikel 135 Wvb mocht het pensioenfonds alsnog niet invaren. De periode waarin gebruik is gemaakt van de regeling voor overbruggingsplannen wordt overgeslagen.
Op grond van het veertiende lid gelden er bijzondere regels voor de toeslagverlening in de periode waarover overbruggingsplannen worden ingediend. Specifiek zijn de regels in artikel 137, tweede lid, onderdeel a en b, van de Pensioenwet en artikel 132, tweede lid, onderdeel a en b, Wvb niet van toepassing. Dit betreft geen toeslagverlening onder een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen niveau (nu 110%) en alleen toekomstbestendige toeslagverlening. Bij algemene maatregel van bestuur zullen specifieke regels voor de toeslagverlening in deze transitiefase worden gesteld. Zie hiervoor verder het algemeen deel van de toelichting.

Hier de tekst

Hier de tekst

Hier de tekst

Hier de tekst

Hier de tekst

Hier de tekst

Hier de tekst

Hier de tekst

Hier de tekst

Start typing and press Enter to search